Column

Prof. dr. Laurens

Goedendag, mijn naam is prof. dr. Laurens. Hoewel ik, zoals mijn titels vast al doen vermoeden, zo mijn specialisaties heb (ik kan slapen op een wasrek en maak van dagelijkse gebruiksvoorwerpen onherkenbare museumstukken met wuivende vezels en losse plastic onderdelen die mij uiteindelijk van dienst zullen zijn in mijn queeste naar wereldoverheersing) sta ik bij veel mensen gewoon bekend als de kat van mejuffrouw Verbaan. Ik kan niet ontkennen dat ik me vaak in de glazen kelder van schaamte bevind. Het is niet eenvoudig ongevoelig te zijn voor de spot die volgt als je beeltenis op het internet geslingerd is in compromitterende houdingen zoals daar zijn: mijn edele delen verzorgend op een kleedje met de Mainzelmännchen en Ernie van Bert, uitrustend in een poppenwagen en rond zeven uur ’s avonds wanneer ik van de geeuwhonger op het randje van een hypoglycemisch coma balanceer. Ja, dan werp ik dingen van tafel met mijn poot. Dit is echter nimmer schattig bedoeld maar heeft altijd een intimiderend karakter. Waarom ik deze week het schrijven overneem? Welnu, mejuffrouw Verbaan kan het niet. Ze kijkt al weken waterig voor zich uit. Of ze nu voor het espressoapparaat (het apparaat met het olijke gezichtje, zoals ze in beter tijden steevast placht op te merken) staat te wachten op haar achtste kopje koffie, of dat ze naar haar overgaande telefoon kijkt; de waterige lege staar is altijd daar. Soms huilt ze kort en hard. Ik en die kleine stinkende kat met korte pootjes (note to self: ik moet hem weer eens wassen) schrikken daar vaak erg van. Onlangs is kameraad Clemente overleden. Zij heeft vijftien jaar lang volgehouden een kat te zijn. Mooi werk. Veel het achterwerk in gezichten duwen, beetje miauwen als de mensen thuiskomen, houden ze van. Nou goed, die is dus dood. Begraven en alles. De Grote Brokjesfabriek hebbe haar ziel. Maar dat is niet de enige reden van haar wankele gemoed. Mejuffrouw heeft het altijd in deze maanden. In bed liggen, zwaar ademen, boos worden op kranten die ze niet lijkt te kunnen lezen. Want boos worden kan ze nog, het is niet louter weeklagen met ‘oh, oh oh’. Maar wel heel veel. Ik hoop toch dat ze er volgende week weer een beetje is. Vooral voor mezelf. Ik moet gekamd. Voor nu laat ik u graag achter met een mooie gedachte: het kan helemaal geen kwaad om kaasplankjes ’s nachts op tafel te laten staan.