Parkinglandia

A l acht dagen op de snelweg.

Nee: juist de snelweg ontbreekt, voor ons is het niet meer dan een vaag geruis dat de gewoonte van dag tot dag verder terugdringt, dat we moeiteloos hebben gelijkgeschakeld met de Caribische Zee in Martinique of Guadeloupe. Het is waar, je moet je niet zo werktuiglijk laten meeslepen door een esthetische waardeschaal (het geluid van de zee is duizendmaal mooier dan dat van een snelweg, enzovoort): met gesloten ogen kunnen de equivalenties zelfs verontrustend worden. Vrachtwagens-golven, golfbrekers-motoren... Er zijn in ieder geval dezelfde intervallen van stilte, de nadering en het crescendo van de nieuwe uitbarsting, diastole en systole van een golvend, ademend, soms ondraaglijk geluidsvolume zoals wij het hebben leren kennen op de stranden van Martinique of op de parkeerplaatsen.

Zo is, het blijkt steeds duidelijker, onze expeditie voor en bovenal een kustvaart langs deze archipel van parkeerplaatsen. Dat zouden we vroeger nooit hebben geloofd, want in onze herinnering aan de gangbare reizen was de snelweg heer en meester. Stukje bij beetje raken wij er op aangename wijze van overtuigd dat onze expeditie, net als die van Columbus, afdrijft naar een resultaat dat volkomen verschilt van het verwachte. De Admiraal zocht Indië, wij zochten Marseille; hij vond de Antillen, wij vonden Parkinglandia.

Want dit is een land, waarvan wij de provincies à raison van twee per dag veroveren, door onze rode Fafneriaanse vlag te hijsen, de nodige cartografie te bedrijven, de flora en fauna te onderzoeken (op de parkeerplaats van gisteren zaten zoveel kraaien dat wij even aan een vogelreservaat dachten; kort daarop ontdekten we iets ergers, de mieren, maar daarover zullen we later rapporteren).

Voor ons is Parkinglandia een land van vrijheid. De spelregels verplichten ons twee provincies per dag te verkennen, maar wij verlaten het land niet, en onze taak berooft ons niet van het koninklijke gevoel dat wij doen waar we zin in hebben. Het gedrag van de Parkinglandiërs (ik bedoel de snelweggebruikers die de hele dag of nacht op een parkeerplaats doorbrengen) versterkt dat gevoel alleen maar, want het moet helaas gezegd dat de stumpers te werk gaan op een manier die wij zonder iemand te willen beledigen geneigd zijn als idioot te bestempelen. Er zijn er die in hun hart het zaad van de vrijheid dragen, en dan kijken wij met respect naar hen, zijn wij bereid de dialoog aan te gaan, een blikopener te lenen of een praatje te maken over het weer en de temperatuur. Maar ze komen bijna allemaal de parkeerplaats op met een gezicht of ze hun blaas vol en hun maag leeg hebben, en dat weegt niet op tegen intelligentie of gevoeligheid. Ze pissen, eten (bijna altijd staande, bijna altijd sandwiches) en vluchten alsof de parkeerplaats vol krokodillen en slangen zit. Zouden ze lijden aan de ziekte van Parkinson?

De enigen die anders zijn, zijn als altijd de kinderen en de honden: die springen uit de auto’s als veelkleurige veren, hollen tussen de bomen, verkennen het rijk, verbazen zich over de bloemen en het gras, totdat een vreselijk gefluit of een ‘Fienri!!’ dat de lucht splijt ze op treurige wijze terugdrijft naar hun conservenblik waar ze ingaan met de treurigheid eigen aan iedere opgeslagen sardien.

Steeds allener naarmate de avond valt (we kennen het toenemende en afnemende ritme van de Parkinglandische demografie al goed), profiteren wij van het laatste licht om ieder nieuw eiland te doorkruisen en stap voor stap onze liefdevolle verovering te consolideren. Op een gegeven moment komen we bij de grens, en die grens is een hoog prikkeldraadhek, net als in de concentratiekampen. Verderop gaat het bos verder, begint een weiland, schetst zich een dorp aan de horizon; verderop gaat de wereld verder, maar we kunnen er niet heen, al zouden de spelregels het ons toestaan. En wij voelen nu allebei dat de spelregels ook een kwaadaardige kant hebben, een bittere, negatieve kant. Parkinglandia is mooi; het is van ons, wij zijn er vrij en wij houden ervan. Maar haar grens is de spiegel van andere grenzen die de geschiedenis in iets gruwelijks heeft veranderd; het is de afspiegeling van Treblinka, van Auschwitz. Daarom keren wij terug naar onze draak, beseffen wij het onverdiende maar wonderbaarlijke geluk aan de goede kant van het prikkeldraad te zitten, zolang als het duurt.

Reisjournaal Dinsdag 1 juni. Ontbijt: sinaasappels, toost, koffie. 11.16 uur. Bedroefd vertrek, want de parkeerplaats was buitengewoon mooi.

11.22 uur. Landschap van de Avallonais. (Links en rechts koeien).

11.25 uur. Natuurreservaat van de Morvan.

11.30 uur. Parkeerplaats: AIRE DE CHAPONNE. Benzine, restaurant. Starichting van Fafner: ZZO.

Lunch: aperitief ‘de la maison’, salade met roquefort, brochettes met gedroogde pruimen, ijs (koffie en hazelnoot), koffie.

12.55 uur. Vertrek na de uitmuntende lunch in de ‘Grill des Quatre-Pentes’.

12.57 uur. Werkzaamheden aan de snelweg, die is teruggebracht tot één rijstrook.

13.00 uur. Einde van de werkzaamheden, aankomst in het departement Côte d’Or. Slecht weer op komst. Zullen we tijdig op de volgende parkeerplaats geïnstalleerd zijn voor de bui losbarst? De lucht wordt donker als in een film van Hitchcock.

13.02 uur. (Slecht leesbare aantekening, iets als ‘de grote naakte Pan’.) Rechts koeien.

13.03 uur. Parkeerplaats: AIRE D’ÉPOISSES. Starichting van Fafner: O. Wij zijn op onze eerste nachtmerrieachtige parkeerplaats gekomen: een smalle strook asfalt naast de snelweg. Carol doopt hem om in ‘Aire de la Poisse’, van de misère, want wij zitten niet alleen pal naast de snelweg, er steekt bovendien een storm op van heb ik jou daar. Tot overmaat van ramp is het niet zozeer het geraas van de auto’s dat ons uit de slaap houdt, maar het gegil van de TGV-trein die als een straalvliegtuig voorbijgaat over het viaduct precies naast de parkeerplaats.

18.06 uur. 37 ºC! (Maar wij zitten vorstelijk in de schaduw en hebben geen last van de hitte.)

Avondeten: gemengde sla, rijst, ham, eieren, appels, rozijnen, koffie.

21.15 uur. 18 ºC.