Nog even en het rif is geen werelderfgoed meer

Op achttien meter diepte laveert een gevlekte adelaarsrog door een kloof met aan weerszijden kliffen van puntgaaf en dieprood koraal. Drie keer flapperen met zijn grote vleugels en de rog lost op in de Koraalzee.

Duik voor de kust van Lady Musgrave Island, een koraalatol aan de zuidkant van het Great Barrier Reef, en je ziet waarom dit een van de meest bijzondere plekken op aarde is. Een dag op het rif is een dag figureren in een natuurfilm.

Het aaneengeschakelde stelsel van 900 eilanden en 3.000 koraalstroken voor de kust van Noordoost-Australië bestrijkt 2.600 kilometer. Hier leven 1.500 vissoorten, 400 types koraal, 4.000 soorten weekdieren en 242 vogelsoorten. Het rif is een broedplaats voor talloze bedreigde diersoorten, zoals de groene zeeschildpad en Indische zeekoeien. Maar wetenschappers waarschuwen dat de toekomst van dit natuurwonder op het spel staat.

Als de Australische overheid niet in actie komt, kan de kwaliteit van het rif zo hard achteruit gaan dat de status van werelderfgoed niet meer gerechtvaardigd is, luidt de conclusie van Fanny Douvere, een Belgische marien bioloog, en Tim Badman, een Engelse geoloog. De twee reisden vorig jaar af naar Queensland in opdracht van het werelderfgoedcentrum van Unesco, de organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, cultuur en wetenschap. Het Great Barrier Reef is in 1981 uitgeroepen tot werelderfgoed en geniet daarmee beschermde status. Hierdoor heeft Australië de verplichting zorg te dragen dat het erfgoed in stand blijft. Douvere en Badman moesten analyseren of Australië inderdaad voldoende doet. Hun conclusies gingen de wereld over.

De twee hadden lof voor het milieubeleid van de Australische overheid over de afgelopen 31 jaar. Inmiddels mag in eenderde van het rif geen enkele menselijke activiteit plaatsvinden. Er mag niet gebouwd, gevist, gewoond of gewerkt worden. Het toezicht van de Great Barrier Marine Park Authority noemen de twee wetenschappers effectief en „zeer gesofisticeerd”. Tot zo ver het goede nieuws. Het beleid van de afgelopen drie decennia heeft niet kunnen voorkomen dat het belangrijkste koraalgebied ter wereld momenteel „op een kruispunt” is aanbeland, zoals Douvere en Badman het noemen.

Auckland Lookout in Gladstone biedt vanaf een heuvel uitzicht op wat volgens Douvere en Badman de grootste nieuwe bedreiging is voor het rif: grootschalige havenuitbreiding langs de kust van Queensland. Daar werken hijskranen aan de bouw van fabrieken die gas vloeibaar maken zodat het overgepompt kan worden op megatankers. In de baai zorgt de Nederlandse baggeraar Van Oord er samen met het Belgische Deme voor dat het water diep genoeg wordt om de tankers in de buurt van de gasfabrieken te laten afmeren. Iets verderop rijdt een bulldozer over een zandbank. Wat nu nog een goudgele strook in het water is, moet over twee jaar de Wiggins Island Coal Export Terminal zijn, de derde kolenhaven van Gladstone.

Gladstone was al een belangrijke havenstad voordat het rif beschermde status kreeg. De aluminiumsmelter van Alcoa stond al aan de rand van de mangroven, die met hun ondiepe water en beschutting van takken als kraamkamer van de zee fungeren. De kranen op de kade vulden al zeeschepen met ladingen steenkool voordat Australië de internationale verplichting aanging zorg te dragen voor het Great Barrier Reef. Maar sinds 1981 is de wereld veranderd. Eerst werden Japan en Zuid-Korea economische grootmachten, daarna stond China op. De elektriciteit en het staal voor de autofabrikanten, scheepswerven, elektronica-industrie, spoor- en snelwegen en wolkenkrabbers komt voor een belangrijk deel uit Australië.

Het lijkt een wrede grap: het Great Barrier Reef, een van ’s werelds meest kwetsbare natuurgebieden, ligt pal tussen een van ’s werelds grootste mijnbouwgebieden en een aantal van ’s werelds grootste economieën. Naast Gladstone staan er op minstens vier andere plekken langs de kust havenuitbreidingen op stapel. Volgens wetenschappers is vooral het baggeren schadelijk. Water wordt er troebel van en daardoor krijgt het koraal – minuscule, hypergevoelige diertjes met tentakels die het rif vormen – onvoldoende zonlicht om te groeien. De havenuitbreiding zal er ook voor zorgen dat er meer schepen, die met chemicaliën zijn behandeld om ze vrij van algen te houden, vlak langs het kwetsbare natuurgebied zullen varen.

Voor Jan Arens is de maat vol. „De balans tussen het bedruipen van de economie en het zorg dragen voor het milieu is doorgeslagen”, zegt de Nederlandse Australiër. Arens (56) is voorzitter van de Gladstone Conservation Council en voert actie om het rif te houden zoals het is. Maar noem hem geen Greenie (groentje), zoals hij klassieke milieubewegingen als Greenpeace noemt. Grondstoffen zitten bij Arens in het bloed. Zijn vader was directeur van de bauxietmijnen en aluminiumsmelters van Alcoa in Suriname. Hij werkt zelf al decennia voor mijnbouwers. „Ik ben deels opgegroeid in de jungle van Suriname en houd van natuur. Ik zie wat voor schade wij aanrichten”, zegt hij.

Arens wil praten over hoe hij zijn werk als mijnbouwer rijmt met zijn milieu-activisme. „Is het hypocriet om geld te verdienen aan mijnbouw en er tegelijkertijd tegen te ageren? Wellicht. Maar ik ben niet tegen mijnbouw. Ik ben er wel tegen dat het altijd maar meer, meer, meer moet zijn”, zegt Arens. Hij wil graag afspreken op een parkeerplaats aan Bruce Highway, de snelweg die 1.600 kilometer langs de kust van Queensland loopt, langs sinaasappelboomgaarden, suikerrietplantages en eindeloze stukken bos. Achter de parkeerplaats stroomt de Boyne River, een rivier bezaaid met rotsen. „Jaren geleden, toen mijn kinderen klein waren, gingen wij per kano de rivier af. Als je in de mangroven kwam, belandde je in een andere wereld. In het donker zag je doejongs, grijze zeekoeien van een meter of drie lang, als donkere gestalten langs je boot glijden, het maanlicht weerkaatste op hun brede ruggen. Het was magisch, maar inmiddels is er weinig van over”, zegt Arens.

Duizelingwekkend

Arens zet zijn laptop op een picknicktafel en begint met behulp van een powerpointpresentatie aan een duizelingwekkend betoog over alkaliniteit, watertemperaturen en sedimentgehaltes. Hij heeft bij de havenautoriteit en regionale overheid duizenden pagina’s aan documenten, grafieken en meetrapporten opgevraagd. „Mijn conclusie is dat ongekend grote baggerwerkzaamheden in de haven van Gladstone grote milieuschade opleveren. Sinds er gebaggerd wordt, sterven vissen en zijn schildpadden ziek. De havenautoriteit zegt dat dit komt door de verslechterde waterkwaliteit na overstromingen van 2010 en 2011. Ik weet zeker dat dat niet klopt. De ellende begon ruimschoots na de overstromingen. Bovendien, de haven is decennialang diep genoeg geweest. Nu moet er opeens massaal gebaggerd worden om meer en grotere schepen toegang te geven. Waarom zou je dat willen, pal naast werelderfgoed”, zegt Arens.

De milieuactivisten in Gladstone krijgen bijval van de twee Unesco-wetenschappers. De huidige ontwikkeling van Gladstone en Curtis Island strookt niet met hoogste standaard van bescherming die hoort bij werelderfgoed, concluderen Douvere en Badman. Ze schrijven dat de baggerwerkzaamheden waarschijnlijk de kwaliteit van het water schaden, dier- en vissoorten bedreigen en een serieuze bedreiging voor het Great Barrier Reef vormen.

Het havenbedrijf, de overheid van Queensland en de baggeraars beroepen zich op de 1.800, in hun ogen strenge milieuvoorschriften die zij moeten opvolgen, inclusief een panel van experts dat toezicht houdt op de waterkwaliteit. De haven van Gladstone oogt inderdaad alles behalve vervuild. Het water is helder, het zandstrandje op 200 meter van de kolenhaven is schoon, in de baai groeit koraal. Toch oordelen de onderzoekers van Unesco dat het beleid tekortschiet. Het toezichtspanel bezit niet genoeg kennis van koraalriffen. „Argumenten dat de havenactiviteiten zich op 40 kilometer van het rif bevinden, zijn wetenschappelijk niet steekhoudend”, schrijven Douvere en Badman.

De twee hebben eveneens kritiek op Shell. Het Brits-Nederlandse oliebedrijf zegt een glashelder beleid te voeren. „Wij zullen geen olie- of gasbronnen onderzoeken of winnen in natuurlijke gebieden die werelderfgoed zijn”, schrijft Shell op zijn eigen website. Maar Shell bezit 50 procent van de aandelen van Arrow Energy, een samenwerking met PetroChina om gas te winnen in het oosten van Australië. Arrow bouwt een van de LNG-terminals op Curtis Island, dat Unesco als integraal onderdeel van het Great Barrier Reef ziet, aangezien dit het op een na grootste eiland in het gebied is. „Het lijkt erop dat de ontwikkeling op Curtis Island niet voldoet aan de vooruitstrevende belofte van de sector zelf”, schrijven Douvere en Badman.

De Australische dochtermaatschappij van Shell beschikt over de benodigde toestemming van de Australische overheid om de gasfabriek te bouwen. Maar Unesco beschouwt het hele rif als Werelderfgoed, terwijl de baai die gevormd wordt door de zuidpunt van Curtis Island en de haven van Gladstone net geen deel meer uitmaakt van het door de Australische overheid ingestelde Great Barrier Reef Marine Park. Volgens Unesco beslaat het beschermde Great Barrier Reef Marine Park 99 procent van het oppervlakte van het Great Barrier Reef – het havengebied bij Gladstone valt er nét buiten. Juist op de 1 procent verschil vinden ontwikkelingen plaats die volgens Douvere en Badwin het erfgoed onherstelbaar kunnen beschadigen.

In juni buigt het Werelderfgoedcomité van Unesco zich opnieuw over het rif. De lidstaten van Unesco die per toerbeurt zitting nemen in het comité moeten besluiten of het Great Barrier Rif zo verwaarloosd wordt dat het op de lijst van bedreigd erfgoed geplaatst wordt. Mocht dat gebeuren, dan komt ’s werelds belangrijkste koraalrif in dezelfde categorie vergane glorie terecht als de verwoeste Boeddhabeelden in de Afghaanse Bamiyan-vallei en de grotendeels gekapte regenwouden van Sumatra. Echte middelen om Australië tot actie te dwingen heeft Unesco niet. Maar volgens de organisatie is het voor veel landen zo beschamend dat hun erfgoed op de lijst van bedreigde plekken terechtkomt, dat ze net op tijd met maatregelen komen.

Australië heeft beterschap beloofd. Twee onderzoeksbureaus werken aan een milieurapport over de effecten van baggerwerkzaamheden. Eind vorig jaar presenteerde Jeff Seeney, vicepremier van de Australische deelstaat Queensland, een eerste versie van de havenstrategie voor de komende tien jaar. Het plan verbiedt de aanleg van havens buiten vijf bestaande ‘prioriteitsgebieden’ – Brisbane, Gladstone, Townsville, Mackay en Abbot Point. Volgens Seeney zijn de plannen „in lijn” met de aanbevelingen van Unesco. In de inleiding van het plan schrijft Seeney dat Queensland zeker het milieu wil beschermen maar tegelijkertijd „is het stilleggen van havenuitbreiding geen optie”.

Natuurbescherming

Voor Larissa Waters zijn dit soort trucjes exemplarisch voor de wijze waarop met het rif wordt omgesprongen: de regering doet alsof ze Unesco serieus neemt, maar gaat gewoon haar eigen gang. Nieuwe havens verbieden klinkt stoer, maar stelt volgens Waters weinig voor als juist de uitbreiding van bestaande havens het grote probleem zijn. Waters is senator namens Queensland voor The Greens. In de senaat heeft haar partij negen van de 76 zetels. The Greens kan echter niet opboksen tegen de liberaal-conservatieve meerderheid van premier Tony Abbott.

„Ik ben vrij pessimistisch over de komende jaren. Ik ben bang dat het moeilijk wordt de lijst aan havenuitbreiding en nieuwe projecten tegen te gaan”, zegt Waters via de telefoon vanuit hoofdstad Canberra. „De onderzoekers van Unesco waren terecht zeer kritisch en bezorgd. En de komende jaren zal het onder een rechtse regering alleen maar makkelijker worden voor bedrijven om hun zin te krijgen en moeilijker voor de natuurbescherming om weerstand te bieden.”

In Rockhampton, een stad met brede wegen en maar weinig gebouwen die meer dan twee verdiepingen tellen, woont Alison Jones (50) in een witte Queenslander, een traditioneel houten huis met veranda. Ze weet niet zeker of het haar kantoor is waar ze woont of haar huis waar ze werkt, zegt ze. In haar achtertuin staat een tot onderzoeksschip omgebouwde sloep. In een rek in haar eetkamer liggen katrollen, touw en meetapparatuur. Aan de muur hangt een foto van Jones, in een duikpak en met tank op haar rug. Jones promoveerde aan de lokale universiteit en doet onderzoek naar de kwaliteit van het koraal. „Ik ben een vreemde eend in de bijt. Jarenlang werkte ik als duikinstructeur in Cairns. Op een gegeven moment wilde ik weten wat ik kon doen om te zorgen dat het koraalrif altijd zou blijven bestaan. Zo ben ik de wetenschap ingerold”, zegt ze.

Op haar laptop tovert ze visjes tevoorschijn die door een blauw scherm schokken. „Als ik aan land ben, is deze webcam mijn manier om te kijken wat er gebeurt”, zegt ze. Ze wijst naar koraal, vissen en anemonen die langs haar camera op vier meter diepte nabij de Keppel-eilanden zwemmen. „Dat ziet er toch gezond uit? Of zie jij hier enorme schade?”, zegt ze.

Jones wil niet verkeerd begrepen worden. Het Great Barrier Reef staat onder druk, maar dat is niet louter de schuld van mijnbouwers. De watertemperatuur stijgt als gevolg van klimaatverandering. De waterkwaliteit is de afgelopen jaren verslechterd door grote overstromingen, die modderig water van rivieren op het rif dumpten. Het koraal stikt door de deeltjes. De waterkwaliteit gaat ook achteruit door pesticide en mest gebruikt door vee- en suikerrietboeren langs de kust en het feit dat kustdorpjes de afgelopen dertig jaar zijn uitgegroeid tot kuststeden, zegt Jones. En het koraal wordt zienderogen opgegeten door de duizenden doornenkronen die onder water een slachtpartij aanrichten. De zeester met grote stekels eet het koraal letterlijk op. „Het is tot nu toe niemand gelukt om de doornenkronen te bestrijden. Ze vormen een direct gevaar voor het rif, maar je hoort er nauwelijks iemand over. Grote gemene mijnbouwers, zakenmannen en bankiers zijn nu eenmaal een makkelijker doelwit dan zeesterren, boeren, het spoelwater van je eigen toilet of het klimaat”, zegt Jones.

Jones is geboren en getogen in Queensland. Haar leven, dat van haar familie en vrienden is onlosmakelijk verbonden met het Great Barrier Reef. „Het is een zegen. Ik mag al mijn hele professionele leven naar het rif en krijg er nog geld voor ook. Dat is een vorm van rijkdom”, zegt ze. Dat geldt niet alleen voor haar. De Australische toeristenbond becijferde dat het rif jaarlijks 5 miljard Australische dollar opbrengt voor hotels, restaurants, luchtvaartmaatschappijen, booteigenaren en duikscholen. Jones: „Dat lijkt veel. Maar besef dat de beschermde status van het rif ook een belemmering is. Op een paar plekken, zoals Gladstone, na mag werkelijk helemaal niets aan economische bedrijvigheid plaatsvinden. Geen fabrieken, geen visserij, niks. Landinwaarts wordt het al snel droog, dor en veel te warm om normaal te wonen en werken. Mensen hebben hier kortweg twee manieren om geld te verdienen: landbouw en mijnbouw.”

Terwijl Jones aan het vertellen is, komt de buurman, een lange man in een overall met een neongeel vest, via de achterdeur de woonkamer binnenstappen. Of Alison nog wat schroeven en duct tape heeft liggen. Sure, zegt ze, en wijst naar de bovenste lade. „Hij werkt voor een onderaannemer die klussen doet voor een mijnbouwer, net als zo veel van mijn buren. Stel dat hier geen mijnbouw meer zou zijn en geen grondstoffenhavens. De werkloosheid zou stijgen, de zorgen zouden toenemen. Wie zou er dan nog geld en aandacht hebben voor mijn campagnes om het strand op te ruimen? Wie zou het zich dan nog kunnen permitteren als vrijwilliger een milieubeweging te formeren? Wie zou zich dan nog abonneren op mijn webcams? Wij hebben het recht deze grondstoffen uit de grond te halen en er geld aan te verdienen. En het is absoluut cruciaal voor de redding en toekomst van het Great Barrier Reef.”

Bij Lady Musgrave Island is de duik afgelopen. In de baai ligt een toeristenboot afgemeerd aan een drijvend ponton. Tweehonderd, grotendeels onwennige, snorkelaars dobberen in het water. Met hun vinnen klappen ze op de zandbodem, waardoor het water snel troebel wordt. Trompetvissen, baarzen en snappers schuilen met tientallen tegelijk onder de kiel van de boot, veilig buiten het bereik van de zwemmende toeristen. Op het ponton is een badmeester in zijn hoge stoel geklommen om toezicht te houden. Al snel grijpt hij zijn megafoon. Niet dat er een zwemmer in moeilijkheden verkeert. Hij wijst naar twee Britse jongens, die op een koraalhoofd zijn geklommen dat door het eb nog maar een paar centimeter onder water ligt, en schreeuwt: „Do not jump up and down on the coral. It is very sensitive. It will die.''