Leuk als ik de boel tuk heb

K. Schippers begon een paar jaar geleden, na vijfentwintig jaar, ineens weer te dichten. „Het was alsof mijn vingers zich de lengte herinnerden. Heel lichamelijk. De dichtvorm beviel me enorm.”

Ken je die? Weet je dat? Heb je daar weleens van gehoord? Gerard Stigter (77), schrijver onder het pseudoniem K. Schippers, vraagt het vaak. Alsof hij, voor hij verder gaat, even de grond inspecteert waarin hij zijn woorden plant. We zitten op maandagmiddag in café Wildschut in Amsterdam. Tussen een hap erwtensoep en een slokje bier haalt hij een vulpen en een blocnote uit de binnenzak van zijn jasje en noteert een van zijn gedichten. De titel is: Twee woorden. Op een nieuwe regel schrijft hij: vier woorden. Hij grinnikt vergenoegd als hij het laat lezen. „Dat is toch wel erg leuk. Als ik de boel tuk heb.”

Zo-even, vlak voor we aan tafel gingen, omhelsde hij een bekende die hij in jaren niet had gezien. Een kunstcritica. Hij kent haar van een persreis naar een Amerikaans museum, lang geleden. De overlijdensadvertentie van de man die er toen ook bij was, stond vanochtend in de krant. „Dat soort toevalligheden overkomt me heel vaak.” Nou zitten ieders dagen vol ogenblikken. Alleen, als je er geen oog voor hebt, gaan ze ongemerkt voorbij. Gerard Stigter heeft het vangen van voorvallen tot kunst gemaakt. Hij vraagt zich af of je aan cijfers kunt zien wat ze net geteld hebben, of wat je allemaal gedaan krijgt in de tijd dat het bad volloopt met water. Wat voor woorden je kunt maken van de letters die een insect aanstipt als het over de krant kruipt.

We zitten midden in zijn „vintagebuurt”, zegt hij. Een buurt vol taferelen uit zijn leven. Hij wijst naar rechts. Daar woont hij. Hij wijst naar links. Daar woonde vriend en schrijver Rudy Kousbroek toen hij jong was. En daar aan de overkant zit een fotozaak. Niet al te lang geleden wilde hij er fotorolletjes brengen met daarop de laatste foto’s van zijn beste vrienden. Gerard Brands en Henk Bernlef. Ze overleden kort na elkaar in 2012. Of, zoals hij liever schrijft: „Ze zijn †.” De fotowinkel was dicht. Hij naar de Hema, een paar minuten lopen verderop, om bij de „zaak van tompouce en rookworst” hun gezichten tevoorschijn te laten halen.

Speciaal voor de Poëzieweek maakte hij het poëziegeschenk, vanaf 30 januari krijgt iedereen die een boek koopt zijn bundel Buiten beeld gratis. Ik dacht dat hij al sinds 1976 niet meer dichtte? „Ja, nou ja, kijk”, zegt hij. Zo stellig heeft hij het nooit gezegd. „Vanaf 1963 heb ik een bundel of zes gemaakt. En toen wou ik eens wat anders. Ik was benieuwd naar andere vormen.” Verhalen, essays, foto’s, films. „Een beetje een allegaartje.” Een voorbeeld. Hij was bezig met een boek, over een jeugdliefde van hem. „Ik leerde haar in 1947 kennen, op een van de Waddeneilanden. Ik bestudeer voor dat boek de kaart van het eiland. Valt mijn oog op een blauw lijntje. Natuurpad voor blinden, staat erbij.” Hij glundert. „Een natuurpad. Voor blinden. Wat is dat? Ik ben meteen vertrokken. Dat pad heb ik gevonden. Langs de route stonden informatieborden. Erop, in braille: ‘achter u is mos’. Of: ‘de schors van een zee-den is ruw’.” Hij neemt een slokje water. „Dát vind ik nou ontzaglijk leuk.”

Over het blindenpad maakte hij een verhaal voor de krant. Over die jeugdliefde een roman. Waarom geen gedicht, essay of film? Had ook gekund, zegt hij. En dan vraagt hij: „Weet je hoe een montagekamer er vroeger uitzag?” Hij spant een denkbeeldige draad boven zijn hoofd. „Scènes hangen aan de lijn te wachten. Een voor een haal je de stukjes film eraf en plakt ze tot een film.” In zijn hoofd zit ook zo’n waslijn vol voorvallen. Ideeën, aantekeningen, korte fragmenten, anekdotes. Soms pakt hij een paar woorden, dan wordt het een gedicht. Heel veel woorden samen zijn een verhaal, een paar hoofdstukken een roman.

Hij steekt één vinger in de lucht. „Maar”, zegt hij en neemt een slok water, „ik moet vooraf wel weten wat het wordt. De vorm is voor mij ontzaglijk belangrijk.” Hij kijkt vorsend over zijn leesbril. „Dat staat misschien pedant...” Maar, zegt hij: „Ik heb het er weleens met bevriende schilders over gehad. Die weten precies wat de omtrek van hun schilderij is. Het is niet zo van: ik begin en dan zie ik later wel hoe groot mijn doek wordt.”

Heeft schrijven een visuele component? „En of. Het maakt uit hoe je de tekst op papier zet. Centreer je de woorden? Vullen de regels uit? Waar breek je een zin af.” Hij legt zijn hand plat voor me op tafel, tikt met zijn wijsvinger op zijn huid. „Wat zie je?”

Ouderdomsvlekken?

„Moedervlekken. Dat vind ik een leuker woord. Zie je hoe ze verspreid zijn? Alsof je met peper strooit. Niet te dirigeren waar de korrels terechtkomen. Hoe kan ik daarover schrijven?” Stilte. „Door het vanuit de vorm te benaderen.” Eén gedicht in het poëziegeschenk is een pagina vol puntjes. Stand van de moedervlekken aan de hemel heet het. „De sterren zijn, als sproeten, lukraak verspreid over de hemel. Begrijp je?”

Voor twee van zijn romans kreeg hij de Multatuli- en de Librisprijs, zilveren griffels voor zijn kinderboeken, de P.C. Hooftprijs voor zijn beschouwingen en verhalen. En daarna, na vijfentwintig jaar, verscheen er ineens weer een bundel gedichten van hem, Tellen en wegen uit 2011. „Ja, nou ja, hoe gaat dat? Een jaar of vier, vijf geleden begon het dichten weer.” Hij beweegt de vingers van zijn hand. „Het was alsof mijn vingers zich de lengte herinnerden. Heel lichamelijk. De dichtvorm beviel me enorm.” Met een paar woorden „het kleine groot maken, het gewone bijzonder, en het terloopse indringend”.

Ineens zegt hij: „Een kamer waarin je voor het laatst slaapt.” Weer stilte. „Waaraan denk je als je die regel hoort?”

Ehm. Aan een doodskist?

„Of een hotelkamer. Of aan de nacht voor je gaat verhuizen. Het kan van alles betekenen.”

Een roman van één dichtregel.

Na de dichtbundel verscheen een boek van hem dat geen roman was en geen verhalenbundel, geen essay en geen beschouwing, maar iets ertussenin. Voor jou, heet het. Het was zijn manier om in woorden de gezichten van zijn twee beste vrienden tevoorschijn te halen. Gerard Brands kende hij sinds zijn veertiende, Henk Bernlef vanaf zijn zestiende. Ze zaten op de hbs, en ontdekten samen de liefde voor jazzmuziek, dada en schrijven. Ze richtten in 1958 Barbarber op, ‘tijdschrift voor teksten’ en ze namen ieder een pseudoniem aan. „We waren jongens van een jaar of twintig. We experimenteerden wat, we hielden van clownerie. Maar het leuke was, dat ieder van ons dat daarna op eigen wijze heeft voortgezet. En dat er geen week voorbij ging dat we elkaar niet schreven of spraken.” Brands schreef kinderboeken en was redacteur bij wetenschapsblad Kijk, Henk Bernlef werd schrijver, Gerard Stigter van alles een beetje.

„Gerard Brands zei altijd als er weer eens iemand die we kenden overleed: Eén ding, doodgaan, daar doen wij niet aan.” Gerard Stigter ziet hem op de avond van zijn „verdwijning”. Met zijn wijsvinger op zijn duim tikt Stigter de maat als hij een gedicht opzegt, met tussen elke vraag een korte pauze. „Hoe is het? Gaat het? Hoe voel je je? Iets beter?” En zo gaat het nog twintig vragen verder. Tot en met de laatste vraag: „Zal ik gaan?” Eigenlijk zit daar alles in hè, zegt hij. „Het dreigende verlies. De volharding van de vragensteller die heus wel weet dat er geen woord meer terug zal komen.”

Verbranding

Kort voor Brands’ „verbranding”, bleek ook Henk Bernlef ongeneeslijk ziek. Dit keer is Gerard Stigter te laat met afscheid nemen. „Ik woonde toen tijdelijk in Brussel.” Hij geeft er schrijfworkshops aan studenten. „Ik zat daar geïsoleerd, ver weg. Alles voltrok zich buiten mijn bereik. Dat maakte het nóg schrijnender.” Hij kreeg nog een mail van Henk Bernlef. „Op het moment dat die uit mijn printer kwam, was hij net acht uur dood. Van zoiets zou hij hebben genoten.” Hij grijpt nu in de zakken van zijn jasje. „Wacht... ik bel hem even op... ” Dit, zegt hij, „dit wil ik dus wel tien keer per dag doen”.

Nu hij nog? Ja, grinnikt hij. „Nu ik nog.” Vroeger rookte hij vijftig sigaretten op een dag. Twee jaar geleden is hij gestopt. „Anders was ik allang dood geweest. Ik ben gaan afbouwen. Van 50 naar 40, 30, 20, 10, 5 op een dag. En nu nul.” Mist hij het? „Alleen als ik oude zwart-witfilms zie. Zoals Humphrey Bogart rookt. Of Lauren Bacall. En bij het opruimen van mijn papierwinkel kwam er een sigaret tevoorschijn. Dat was wel even lastig.”

Het is de bedoeling, zegt hij, om nu zo prettig mogelijk voort te leven. „Ik ben er nu mede namens hen.” Erica, zijn vrouw, zei kort na hun dood: „Het lijkt wel of je met ze mee wil.” Ze zijn sinds 1960 getrouwd. (Haar tweelingzus trouwde met Henk Bernlef.) En was dat zo, wilde hij ze achterna? „Ik heb een uitweg gezocht. Ik gunde ze wat anders dan de dood. Ik heb ze met mij mee laten gaan.” Hoe? „Ik was al bezig met een verhalenbundel. Ik zat te goochelen met wat waar moest, en hoe ik van de losse delen een geheel kon maken. Het manuscript hing zogezegd nog in de hengsels. Ik heb de bundel opengegooid, ingebroken in mijn eigen verhalen en ben er scènes met de jongens in gaan lassen.” In Voor jou ziet de lezer de schrijver dubben over de samenstelling van zijn boek, en springt via zijn gedachten van nu naar vroeger. „Op het laatst zitten de jongens bij me in de kamer zich ermee te bemoeien. Zo waren ze nog even terug. Een schrale troost misschien. Maar laat ik zeggen: ik heb ze iets kunnen geven. Uiteindelijk laat ik ons ontsnappen in een luchtballon.” Haha, lacht hij. „Dat hadden ze vast heel leuk gevonden.”