Koude Oorlog en opwarming

Vertel me hoe u stemt en ik zal u zeggen hoe u over klimaatverandering denkt. Gelukkig is het in Nederland nog niet zo ver, maar in de Verenigde Staten is het moeilijk een onderwerp te bedenken dat zo langs politieke breuklijnen is gepolariseerd als het klimaatdebat. Toen vorig jaar, vlak voor de presidentsverkiezingen, de orkaan Sandy de Amerikaanse oostkust teisterde en Obama de gelegenheid gaf zich presidentieel op te stellen, vertrouwde een fanatieke Republikein mij toe: „We zullen zien hoeveel meer van deze gunstig geplande orkanen in de toekomst verschijnen.”

Er is zeker een correlatie tussen een opwarmende aarde en extreme weerverschijnselen. Maar wees gerust, in de kelder van het Witte Huis staat geen ‘orkaanmachine’. Voor de goede orde: in een dag verbruikt zo’n storm meer energie dan 10.000 van de krachtigste kernwapens.

Toch is deze kijk op weer en klimaat als mogelijke massavernietigingswapens niet nieuw. In 1955, op het hoogtepunt van de Koude Oorlog, vroeg het tijdschrift Fortune de wiskundige John von Neumann een blik in de toekomst te werpen onder de titel „Kunnen wij technologie overleven?” Als bedenker van de economische speltheorie, de programmeerbare computer en grote delen van de wis- en natuurkunde, was Von Neumann destijds waarschijnlijk het grootste genie op aarde. Als lid van het Atomic Energy Committee was hij ook de belangrijkste wetenschappelijke adviseur van de Amerikaanse regering. Zijn computer was cruciaal in de ontwikkeling van de waterstofbom. Hij was tevens een van de koudste van de Koude Oorlog-strijders. In een bekende anekdote werd hem gevraagd of het waar was dat hij de Sovjet-Unie morgen zou willen bombarderen. Zijn antwoord zou zijn geweest: „Nee, niet morgen, vanmiddag.”

Verrassend genoeg gaat het grootste deel van het artikel van Von Neumann niet over kernwapens, maar over klimaatverandering – door de uitstoting van CO2, maar ook door geo-engineering zoals het pompen van zwavel en roet in de atmosfeer of het planten van micro-organismen in de oceanen. Hij schetst een scenario waar kwaadwillende mogendheden kunstmatig een lokale ijstijd of opwarming proberen te creëren. Het klimaat zal volgens hem „de belangen van landen ingrijpender verstrengelen dan de dreiging van een nucleaire of welke andere oorlog”.

We zijn nu zestig jaar verder. Wereldwijd staat klimaatverandering op de eerste plaats op de lijst van mondiale bedreigingen, gevolgd door internationale financiële instabiliteit en moslimextremisme. En de wetenschap heeft niet stilgestaan. In 1949 deed Von Neumann samen met Jule Charney de eerste elektronische weersvoorspelling. Het kostte toen 48 uur rekentijd om het weer van morgen (dat wil zeggen, gisteren) te voorspellen. Nu kijken we bijna instantaan vijf tot tien dagen vooruit. De modellen zijn spectaculair betrouwbaarder en nauwkeuriger geworden. Het onderzoek is ook niet langer het werk van een enkeling. Afgelopen september bracht het klimaatpanel IPCC het eerste deel van het Vijfde Assessment Report uit. Meer dan 800 auteurs schreven eraan mee. De IPCC-rapporten tellen duizenden pagina’s. De boodschap kan echter kort samengevat worden: het is echt, het is slecht, het komt door ons mensen, wetenschappers zijn het eens en er is hoop. Al deze vijf kernboodschappen moeten natuurlijk genuanceerd worden, maar de nuance vindt plaats achter de komma.

Er is helaas maar weinig correlatie tussen de wetenschappelijke literatuur en de publieke opinie. De reactie op het nieuwe IPCC-rapport was vooral lauw. De opinie laat zich gemakkelijker door een orkaan of winterstorm leiden. Zo peilde een onderzoek in de Verenigde Staten vorig jaar of men het eens was met de stelling dat klimaatverandering plaatsvindt en door menselijk handelen wordt veroorzaakt. Onder klimaatwetenschappers was een overweldigende meerderheid van 97 procent dat. Van het algemene publiek was slechts een minderheid van 41 procent het met hen eens.

We zien echter enorme verschillen in de wereld. Een onderzoek uit 2009 peilde in verschillende landen het percentage van de bevolking dat (1) bekend was met klimaatverandering, (2) het als een bedreiging zag en (3) ervan overtuigd was dat het door menselijke activiteiten wordt veroorzaakt. In de rijke landen is het probleem goed doorgedrongen – typisch bij meer dan 95 procent van de bevolking – terwijl in de allerarmste Afrikaanse staten maar zo’n 20 procent op de hoogte is. De acute dreiging wordt vooral in Europa en Azië gevoeld, veel minder in de Verenigde Staten, Rusland en het Midden-Oosten. Tenslotte de invloed van de mens. Hier gaan Japan en Zuid-Korea aan kop met meer dan 90 procent. Zuid-Amerika is een goede tweede met rond de 75 procent. De Verenigde Staten (49 procent) en vele Europese landen waaronder Nederland (44 procent) zijn veel minder overtuigd.

Wellicht ligt in deze mondiale patstelling ook de kern van de oplossing. Juist in de arme delen van de wereld waar de impact van klimaatverandering het grootst is, wordt de aard en de ernst van het probleem het best begrepen, mits men op de hoogte wordt gebracht.

Hoe nu verder? De slotwoorden van Von Neumann uit 1955 bieden perspectief. „Het meest hoopvolle antwoord is dat de mens eerder voor dit soort vraagstukken is gesteld en die heeft overwonnen, hoewel soms met veel moeite. Van tevoren een oplossing vragen lijkt onredelijk. We kunnen alleen de benodigde eigenschappen noemen: geduld, flexibiliteit, intelligentie.”