Immigratie: have your cake and eat it

De huidige eurocommissaris van Begroting, Janusz Lewandowski, was vroeger Pools minister van Privatisering. Hij herinnert zich levendig wie er destijds als eersten aan zijn bureau stonden om oude communistische staatsbedrijven voor een prikje op te kopen: Nederlandse bedrijven als Philips. Ook in Tsjechië en Hongarije waren Nederlandse bedrijven er na 1989 als de kippen bij om ‘ingangen’ te vinden.

Nu er ook in Nederland opwinding is over Roemeense en Bulgaarse ‘uitkeringstoeristen’, is het goed om dit verhaal nog eens te vertellen. Lewandowski’s vaststelling dat Nederlandse bedrijven hyperactief zijn op de Midden- en Oosteuropese markt is namelijk geenszins gedateerd. Volgens het Instituut voor Internationale Economische Studies in Wenen (WIIW) was Nederland afgelopen zomer de grootste buitenlandse investeerder in tien Midden- en Oosteuropese landen: 18,9 procent van alle investeringen. Duitsland is tweede, Oostenrijk derde.

Toegegeven: het gaat hier niet alleen om Nederlandse bedrijven. Omdat veel multinationals het hoofdkwartier van hun holding in Nederland neerzetten om elders minder belasting te betalen, worden hun investeringen als ‘Nederlands’ geregistreerd. Nederland verdient niet buitensporig aan deze holdings - maar genoeg om op internationaal toneel, mede in het belang van die holdings, een liberaal handelsklimaat te bepleiten.

Nederland was, met Groot-Brittannië, de grootste voorvechter van recente uitbreidingen van de EU: omdat het goed is voor ons bedrijfsleven. Nu hebben precies die twee landen de grootste moeite met een van de voorspelbare gevolgen van die uitbreidingen: immigratie.

Volgens een zakenkrant in Roemenië doen Britse bedrijven er jaarlijks voor 6,3 miljard euro aan zaken. Dat is driemaal zoveel als in 2007, het jaar waarin Roemenië toetrad. Roemenië groeit harder dan de meeste EU-landen: ruim 4 procent. Dit is exact wat Den Haag en Londen destijds beoogden –ze wilden groeimarkten vol consumenten aanboren. Ze wisten dat vrij personenverkeer een van de pilaren van de interne markt is, en dus van de EU. Sommige landen bedachten overgangsregelingen om hun arbeidsmarkten tijdelijk te ‘beschermen’. Maar dat er aan het eind van de rit open grenzen zouden zijn, wist iedereen.

Helaas vergaten ministers destijds in eigen land uit te leggen waarom ze die uitbreidingen wilden en wat de gevolgen zouden zijn. Als burgers ernaar vroegen, zeiden de ministers dat ‘Brussel’ het had bekokstoofd. Voormalig VVD-minister Gerrit Zalm onderhandelde jarenlang mee over de uitbreiding met tien nieuwe landen in 2004, om vervolgens tijdens een verkiezingscampagne in Nederland ineens te roepen dat sommige kandidaat-landen niet klaar waren. De VVD probeerde sceptische burgers te paaien. In Brussel stonden velen paf: tijdens de onderhandelingen hadden Nederlandse ministers hun mond hierover niet opengedaan.

De emotionele reacties op Roemeense en Bulgaarse immigranten zijn een direct gevolg van deze schizofrene houding. Met de realiteit heeft het minder te maken: veel Bulgaren en Roemenen werken en betalen belasting. Er is sociaal misbruik, maar weinig. Natuurlijk moet dit aangepakt worden. Maar dat is een andere discussie.

Duitsland, Frankrijk en andere Europese landen beschouwen het gesputter over Roemenen en Bulgaren, terecht, als een typisch geval van have your cake and eat it. Zij weigeren het vrij personenverkeer te beperken. „Wie hieraan tornt, schaadt Europa”, zei de Duitse minister van Buitenlandse Zaken. „En Duitsland, dat hiervan enorm profiteert.’’ Waarom krijgen Britse en Nederlandse ministers zoiets nooit over hun lippen?