Iedereen hoogopgeleid, wat een kortzichtig plan

Tijdens de crisis van de jaren tachtig slaagden veel hoogopgeleide jongeren er niet in om een baan te vinden. Afgestudeerden van de universitaire opleidingen letteren, sociale en politieke wetenschappen, pedagogie, psychologie, biologie, wis - en scheikunde, niemand zat op hen te wachten. Omdat studeren in die tijd meer geld opleverde dan het kostte, deden velen een extra studie of bijvak om zich daarmee aantrekkelijker te maken voor de al te krappe arbeidsmarkt.

De economische malaise had niet alleen ingrijpende gevolgen voor de studenten, maar ook voor de opleidingen. Studierichtingen waarvan de afgestudeerden geen baan konden vinden, liepen leeg en de opleidingen economie, bedrijfskunde en rechten konden het aanbod aan studenten nauwelijks verwerken. Zo deed de markt zijn werk.

Toen de economie in de jaren negentig aantrok, raakte het reservoir aan werkzoekende hoogopgeleiden gaandeweg uitgeput en vervolgens zorgde de aanhoudende economische groei ervoor dat iedere afgestudeerde al vlug een goed betaalde baan vond.

In een markt waar de vraag het aanbod overtreft doet het er maar weinig toe wat iemand nu precies heeft gestudeerd. Dus konden studenten het zich permitteren te kiezen voor een opleiding omdat die hen het leukst leek, of het gemakkelijkst, of die dicht bij huis was of waar vrienden ook voor kozen.

Inmiddels beleven we andere tijden. Nu werkgevers weer kunnen kiezen gaat hun voorkeur vanzelfsprekend uit naar mensen met een opleiding die zo veel mogelijk aansluit bij het werk dat ze moeten gaan doen. En, bij een ruim aanbod aan sollicitanten, hoef je als werkgever ook niet meer zo diep in de buidel te tasten.

Met als gevolg dat veel jongeren met een weinig specifieke opleiding vergeefs op zoek zijn naar een baan. Je kunt hen verwijten dat ze kortzichtig zijn geweest bij de keuze van hun studie, maar wie, opgegroeid in de jaren van overvloed, kon bevroeden dat het ooit moeilijk zou zijn werk te vinden?

Die kortzichtigheid gold trouwens net zo zeer voor de Europese regeringsleiders die in maart 2000 in Lissabon afspraken dat de helft van de beroepsbevolking hoogopgeleid diende te zijn om van Europa de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie ter wereld te maken. Die hadden het ook alleen maar over hoogopgeleid alsof je met al die masters communicatiewetenschappen de wereld verovert.

Het beleid, met name de financiering van hogescholen en universiteiten, is te lang gericht geweest op een zo hoog mogelijke productie en het ziet er inmiddels naar uit dat we het verzadigingspunt aan hoogopgeleide generalisten hebben bereikt. Een bachelor of master vormt dan ook geen garantie meer voor een goed betaalde baan.

Het uitgangspunt van het wetsvoorstel voor een sociaal leenstelsel, dat studeren een in financiële zin verantwoorde investering zou zijn, gaat in zijn algemeenheid dan ook niet langer op.

Het is hoog tijd ons fundamenteel te bezinnen op enerzijds de vraag hoe het onderwijs beter te laten aansluiten op de behoeften aan onderzoek, ontwikkeling en arbeidsmarkt en anderzijds het maatschappelijk belang van onderwijs voor een hoog niveau van cultuur, beschaving en persoonlijke ontwikkeling.