Geluk plant je in de winter

Tuinbezitters die nu naar buiten turen zien een perceel dat vooral grijs is. Mogelijk priemt er wat coniferengroen doorheen, maar grosso modo lijkt het buitenleven eentonig. De kachel lonkt en het tuinjack blijft in de schuur aan zijn spijker hangen. Toch is er in de wintertuin van alles te doen, zeker zolang het niet vriest dat het kraakt.

Eet uw moestuin leeg

Het is verstandig om zo langzamerhand de allerlaatste oogsten uit de grond te halen en op te eten of te verwerken. Controleer op vraat (u bent niet de enige die van winterprei en boerenkool houdt) of op vroege uitloop (zoals bij pastinaken en penen), veroorzaakt door het recente zachte weer. Kijk of uw aardperen, kolen, uien, bietjes, prei en schorseneren er nog onaangetast staan en begin ze consequent te consumeren: serveer schorseneren met room en hazelnoten, weck bietjes in rode wijn en kruiden en brouw liters soep, ook voor de vriezer. Pastinaken en penen zijn samen een prima stamppot.

Snoei en knip en maak een composthoop

Daar liggen ze. Slordige hopen tuinafval: de half vergane kerstboom, residuen van stormschade en afgedankte planten uit border en kas. Grijp op een zonnige dag takkenschaar en snoeimes en sla aan het knippen. Graag alles in stukjes van 2 centimeter. Gooi de fijngemaakte boel op een hoop, strooi er wat bladeren, rijpe tuinaarde of compost over en het verteringsproces kan – langzaam – beginnen. Verwerk het spul vooral niet in reeds bestaande composthopen, dat kan wachten tot het late voorjaar – egels en hommelkoninginnen slapen er nu. Maar kijk, het voorwerk is gedaan.

Ruim takkenschaar en snoeimes nog niet weg, want omdat het geraamte van de tuin zo goed zichtbaar is, bemerkt u welke houtachtigen (bomen en heesters) om onderhoud schreeuwen. Knip zieke, dode, mal uitstekende en elkaar kruisende takken weg. Zijn uw bomen hoog, en knikken uw knieën al bij de gedachte aan een ladder, investeer dan in zo’n handige boomzaag-aan-een-steel. Hak uw houtachtigen in dit jaargetijde niet terug tot lollystokjes, maar behandel ze alsof ze bij de kapper zijn: alleen bijpunten.

Poets het gereedschap

Net als de meeste tuiniers heeft u op die laatste tuindag in oktober alle schoppen, spades en harken dik onder de klei in de schuur gemikt. Kan gebeuren, maar wacht niet tot maart met poetsen; haal ze tevoorschijn. Pak ook een ruige schuier (harde borstel), een oude lap en gekookte lijnolie of algemene onderhoudsolie (voor fiets of naaimachine). Borstel het gereedschap duchtig af, wrijf het droog en zet al het metaal, de dullen of veren (waar metaal aan het hout vastzit) maar ook stelen en handvatten in de olie. Dat geldt eveneens voor boomzaagjes, takkenschaar en snoeimes. Die laatste twee borstelt u schoon en slijpt u voor u ze invet. Organiseer het gereedschap eens flink – spades bij schepjes, harken bij harkjes – stapel bloempotten, gooi rommel weg en veeg de vloer aan. Hè, lekker.

Maak een plan

Wat altijd werkt in een wintertuin is: goed kijken. Wat zou u willen veranderen? Welke planten kunnen weg, wat wenst u er voor in de plaats? Is er eigenlijk voldoende variatie in hoogte/laagte, en bladverliezende en -houdende planten? Zijn uw vaste planten wel bijzonder genoeg door hun vorm of kunnen er architecturale of groen-glanzende soorten bij die juist in de winterdag opvallen, zoals siergrassen, klein blijvende knotwilgjes of allerlei camellia’s?

Poot winterbloeiers

Is uw tuin nu geheel bloemloos? Onthoud dan om winterbloeiers te poten, zoals naaktbloeiende jasmijn, winterbloeiende kamperfoelie en viburnum en liefst ook de toverhazelaar, die in januari al toefjes gele bloemen draagt en in de herfst kersenrood blad. Die laatste drie geuren ook nog eens zalig.

Omarm gemakkelijke types

Ontbeert uw tuin ’s winters werkelijk elk spoortje kleur, denk dan eens aan supergemakkelijke, groenblijvende heesters, vaak gemelijk als ‘gemeentestruiken’ afgedaan, die pronken met vegen crème, geel of rood op hun bladeren, zoals de rotsheide Pieris japonica ‘Forest Flame’ en de oersterke glansmispel Photinia ‘Red Robin’. Woudvlam en Roodborst. Gun ze een plek, want ze offreren een veilige haven aan vogels én combineren geweldig met de ijle, geelgroene belletjes van de schijnhazelaar, of met sneeuwklokjes en aconieten, in witgele wolken aan hun voeten. Tussen haakjes, hebt u eigenlijk wel bollen gepoot? Nee? Even noteren bij september.

Zelfs de zogenaamd oubollige laurierkers is een optie. Een sterke groenblijver die zich middenin de zomer tooit met geurige bloemetjes, die wekenlang als een magneet kleine hommels aantrekken, zodat de hele struik lijkt te zoemen. In het najaar komen merels en lijsters in drommen af op de paarszwarte bessen.

Plant een appelboom…

Stel dat er ruimte blijkt te zijn voor een boom (écht ruimte, bedoel ik: niet een plek die ontstond door het afsterven van meerjarigen), aarzel geen seconde en koop een appelaar. Kies een slanke sierappel of een stoere renet, maar doe het. Een appelboom geeft direct statuur, biedt schitterende bloesem, mooie en/of heerlijke vruchten én brengt geluk. Bel een goede teler en overleg over grondsoort, boomtype en positie. En u weet het: poot een appelboom – dat kan in vorstloze periodes tot medio maart – en u krijgt direct bezoek. Het is de merel die erin neerstrijkt, zijn veren poetst en een lied aanheft.