De verkeerde kant van de grens

Het zijn de „ambtenaren” die profiteren, weet Wachtan uit het grensdorp Gjatsjrypsj in Abchazië. Wachtan – geen Abchaziër maar een Mingreliër, een van de vele etnische groepen in Georgië – is markthandelaar in mandarijnen en honing. Bij de ‘bevrijding’ van Abchazië van Georgië in oktober 1993 hadden de Mingreliërs het zwaar te verduren. Velen zijn gevlucht. Wachtan niet. Met andere Mingreliërs domineert hij nog steeds de markt in Gjatsjrypsj. Maar de Winterspelen een tiental kilometers westwaarts leveren hem alleen verlies van klanten en handel. De ambtenaren, de tsjinovniki, zoals ze ook worden genoemd, laat dat koud. Zij laten zich niet met zijn fruit fêteren maar met geld van oligarchen.

Wachtan is cynisch omdat hij geïsoleerd is. Dankzij ‘Sotsji’ is er bij zijn markt een splijtende muur verrezen, provisorisch opgetrokken van hekwerk en blauw plastic. Het muurtje is van tijdelijke aard. Na de Spelen en Paralympics moet de grens tussen Abchazië en Rusland weer open. Het obstakel moet tot dan al het autoverkeer weren dat uit Abchazië naar Sotsji wil rijden. Vanwege de terreurdreiging.

Voetgangers mogen grens en detectiepoortjes wel passeren. Maar dat zet voor Wachtan geen zoden aan de dijk. Toen er nog auto’s mochten rijden, konden zijn klanten via de brug over de Pso’oe met hun auto’s goederen naar Rusland rijden. Met grote hoeveelheden spullen loonde dat de moeite. In Abchazië kost een kilo mandarijnen 10 tot 15 roebel (25 tot 35 eurocent). In Rusland levert een kilo 25 tot 30 roebel (50 tot 70 eurocent) op. Behalve wijn en strand heeft Abchazië geen ander exportproduct.

Abchazië (250.000 bewoners) ijvert sinds de vijfdaagse oorlog tussen Rusland en Georgië in 2008 voor erkenning van zijn staatkundige onafhankelijkheid. Moskou was vóór. De roebel werd betaalmiddel en de Abchazen konden met een officieel Russische paspoort reizen. Maar nu Moskou in Sotsji zijn eigen prestigestrijd voert, kunnen ze drie maanden barsten.

De enige handel die de Mingrelen in Gjatsjrypsj vandaag drijven, is met een Russin die met een steekwagentje de grens heen en weer gaat om er een tas met mandarijnen te kopen in de hoop dat zie die voor het dubbele in Rusland kan verkopen. Het is Tatjana Grigorjevna, een gepensioneerde vrouw uit Krasnodar. Dat de marktkoopman haar „omaatje” noemt, pikt ze niet. Tatjana Grigorjevna is voor hem een Madame, geen baboesjka”. Ze is namelijk een gekwalificeerde kinderpsychologe. Ze werkte ooit in jeugdgevangenissen. En ze heeft iets van de wereld gezien. Haar man was beroepsmilitair in het Sovjetleger en diende in de Baltische landen en Tsjechië. Maar eigenlijk is madame Tatjana net zo geïsoleerd als Wachtan. Tot haar man overleed woonde ze in Wit-Rusland. Ze krijgt een armetierig pensioentje: uit Minsk, waar zoon woont en handelt in Duitse auto’s die hij naar de middenklasse in Moskou vervoert. Tatjana is om geldredenen uit thuisland Krasnodar vertrokken. Van haar zoon wil ze geen geld. Daarom handelt ze in mandarijnen: als aanvulling op het Wit-Russische pensioen.

Het is net zo vernederend als het muurtje van Pso’oe is voor Wachtan en de handelaars aan de verkeerde kant van de grens. Zijn Mingrelen stelden ooit ook veel voor. Want wat voor beroemde zonen heeft zijn volk niet voortgebracht? Beria, geheim agent van Stalin. Gamsachoerdia, in 1991 eerste president van Georgië waarvan Abchazië zich met Russische hulp los maakte. Maar bovenal Okoedzjava, de bijna terloops dissidente dichter/bard uit de tijd van Brezjnev die iedere Rus boven de 50 jaar en met meer dan 9 jaar school kent of soms adoreert.