De promotiecommissie wilde geen discussie over een zwak proefschrift

Dit stuk gaat over een promotie die, in de ogen van Sandra Schruijer (53), niet had mogen plaatsvinden. Ze is hoogleraar Organisatiewetenschap aan de Universiteit Utrecht en hoogleraar Organisatiepsychologie aan de Universiteit Tilburg. Haar verhaal doet ze in een hotellobby ergens in Utrecht. Als ze een bank heeft gekozen, is gaan zitten en een koffie heeft besteld, vertelt ze dat ze 35 keer in de beoordelingscommissie van een promotie heeft gezeten. Zelden leidde dat tot problemen. „Maar wat me vorig jaar is overkomen.”

Aan welke universiteit en faculteit dit speelt, wil ze niet kwijt. Maar het proefschrift dat ze moest beoordelen schoot duidelijk tekort, vond ze. „Mijn advies was negatief.” De andere twee externe commissieleden gaven wel hun goedkeuring. „Ik dacht, we gaan dit vast bespreken tijdens de commissievergadering”, zegt Schruijer. Maar die bespreking kwam er niet.

Via e-mail informeerde Schruijer meerdere malen bij de eerste promotor wanneer de vergadering zou plaatsvinden. En ze vroeg om een inhoudelijke reactie op haar rapportage. „De promotor legde me uit dat tweemaal een ‘ja’ en eenmaal een ‘nee’ van de commissie voldoende was om het proefschrift te verdedigen. En aangezien de andere twee externe leden een ‘ja’ hadden gegeven, was een bijeenkomst verder niet meer nodig. Ik moest de inhoud maar aan de orde stellen op de dag van de proefschriftverdediging.”

Schruijer belde met de decaan. „Die zei dat er niks aan de hand was. De juiste procedure was gevolgd.”

Op de dag van de verdediging kwamen de promotoren, de decaan, twee externe leden van de beoordelingscommissie en de interne leden bijeen. Het derde externe commissielid had zich eerder al afgemeld. Ook daar kreeg Schruijer geen ruimte haar bezwaren te uiten, zegt ze. „De decaan zei dat er ná de formele verdediging voldoende tijd zou zijn om het proefschrift te bespreken.”

Na die verdediging, voordat de bul zou worden uitgereikt, kreeg Schruijer eindelijk even het woord. „Maar ik werd al snel weer afgekapt. Toen ben ik boos geworden. Deze commissie is geen commissie, riep ik, want we kunnen niet rechtstreeks met elkaar van gedachten wisselen! De decaan stond op en spoorde ons aan onze posities in te nemen in het cortège.” Einde verhaal. Promotie voltooid.

Of dit een incident is geweest? Schruijer denkt dat iets dergelijks vaker voorkomt. En dat houdt mede verband met de manier waarop universiteiten worden gefinancierd. De jaarlijkse bijdrage van de overheid wordt mede bepaald door het aantal promoties. Elke promotie levert een universiteit op dit moment 95.434 euro op. Er is dus druk om promoties te laten slagen.

„Ik kan me goed voorstellen dat er onbewuste processen gaan spelen”, zegt Schruijer. Collusie, noemt ze het. „Een confrontatie met de realiteit wordt vermeden uit angst voor negatieve gevolgen.”

Hoe hard durft een promotor bijvoorbeeld in te grijpen als een proefschrift echt slecht is? In hoeverre willen bestuurders afzien van de promotievergoeding? „Het werkt allemaal in dezelfde richting”, zegt Schruijer.

Het kan ook anders. Schruijer zit nu in een begeleidingscommissie van een Noorse universiteit. De commissie bestaat uit drie leden – twee externe en een interne. Ze leggen vast of ze banden hebben met de promovendus. „Samen stellen we een rapport op”, zegt Schruijer. Er wordt uitgebreid gediscussieerd over het proefschrift. Dat gaat veel verder dan alleen je oordeel geven door ‘ja’ of ‘nee’ te zeggen.

Of dit in Nederland ingevoerd kan worden?