De noordkromp (werd 507 jaar oud)

Wie eeuwen wil leven, moet leven als een noordkromp. De schelp overleeft moeilijke tijden in een sluimerstand, waarbij hij nauwelijks energie verbruikt.

Het oudste dier ter wereld stierf voor de kust van IJsland in 2006, toen het door klimaatwetenschappers werd opgebaggerd en ingevroren.

Het was een noordkromp (Arctica islandica), een onopvallend koudwaterschelpje.

Pas in het lab, toen alle groeilijnen in zijn schelp waren geteld en zijn isotopen waren doorgelicht, beseften de onderzoekers dat ze een recordhouder hadden opgevist. De noordkromp bleek maar liefst 507 jaar oud (Palaeogeography, maart 2013). Het weekdier begon dus in 1499 met de bouw van zijn schelp, 33 jaar voordat Willem van Oranje geboren werd.

Doris Abele, die als zeebioloog werkt voor het Alfred Wegener Instituut in Bremerhaven, doet onderzoek naar veroudering bij koudbloedige zeedieren. Niet álle noordkrompen halen de vijfhonderd, zegt Abele. Rond IJsland kunnen ze inderdaad eeuwen leven, maar in de Noordzee vindt Abele schelpen van maximaal 150 jaar oud. „En in de Oostzee worden ze maar 35 jaar.” Genetisch zijn de drie noordkromppopulaties identiek, maar Abele en haar collega’s zagen dat de schelpen toch anders op stress reageren (PLOS ONE, september 2012).

Abele en haar team verstikten de schelpen uit de Oostzee en Noordzee door ze in paraffinefilm te wikkelen. De Oostzee-noordkrompen reageerden daarop door genen voor een zuurstofloze stofwisseling en stresseiwitten aan te schakelen.

Oostzee-noordkrompen investeren dus energie om schade aan cellen en eiwitten te voorkomen en repareren. Dat moet ook wel, wat in de de grillige Oostzee, een binnenzee, schommelen temperatuur, zuurstof- en zoutgehalte veel meer dan in de stabielere Noordzee of Atlantische Oceaan, legt Abele uit. Maar ze denkt dat de dieren voor deze flexibiliteit betalen met een korter leven: „Hoe meer energie een dier omzet, hoe sneller het veroudert”, zegt Abele.

Noordkrompen uit de Noordzee schroefden de activiteit van álle onderzochte genen juist terug. Ze brachten hun stofwisseling tot stilstand: ze sluimerden, totdat er weer genoeg zuurstof in het water zat.

Ook bij apen en mensapen is het verband tussen stofwisseling en levensverwachting opgemerkt. Primaten leven veel langer dan de meeste zoogdieren, maar verbruiken dagelijks maar half zo veel calorieën (PNAS, 2014). Als een mens even veel energie wil gebruiken als een gemiddeld zoogdier van 70 kilo, moet hij dagelijks een marathon lopen.

Een slome stofwisseling zou het leven rekken, omdat er bij de langzame verbranding van voedsel minder zuurstofradicalen vrijkomen. Deze vrije radicalen veroorzaken schade aan DNA en eiwitten. Schade die de cel moet herstellen. Abele ziet het effect daarvan in haar schelpen.

Dat dieren die minder energie verbruiken, langer leven is ook experimenteel aangetoond, bij muizen en rondwormen. Als muizen extreem weinig eten (30 procent van hun normale dieet), leven ze bijvoorbeeld twee keer zo lang. Maar bij mensen is het effect van zulke ‘calorische restrictie’ vooralsnog omstreden.

Bovendien, vindt Abele, is het leven met een traag metabolisme niet aantrekkelijk. „Op een hongerdieet ben je minder actief, minder mobiel en minder vruchtbaar.”