Dáár moet ik die 200 man omhoog trekken

Wagner

„De eerste keer dat ik de Ring dirigeerde was in 1998, in Amsterdam. Sindsdien leidde ik 34 complete uitvoeringen van de vier delen. In sommige opzichten is mijn interpretatie met de tijd veranderd, in andere niet. Mijn inzichten over het gewenste tempo zijn niet veranderd: met een exacte duur van 13 uur en 45 minuten is ‘mijn’ Ring relatief kort. Maar op microniveau zijn er talloze veranderingen. Ik mail eindeloos met de uitgever van de Neue Wagner Ausgabe. Klopt dit, klopt dat? Een interpretatie, en ook zo’n kritische editie, blijft work in progress.

„Iets zeggen over mijn persoonlijke evolutie in die zestien jaar vind ik moeilijk. Ik ben nu meer ontspannen, maar dat hangt samen met het technische aspect. Met het Nederlands Philharmonisch Orkest kon ik beginnen op het niveau waar we na de vorige uitvoeringenreeks eindigden. Daardoor hoef ik minder voor politieagent te spelen en kan ik me vrijer richten op de muziek. Uiteindelijk gaat het erom wat je het publiek zonder woorden via de muziek overdraagt. Maar dat onuitsprekelijke resultaat is altijd het product van duizenden technische finesses op het gebied van articulatie, balans, tempo, dynamiek en kleur.”

Liefdelozer

„Ik ken kleuters die al alle verwikkelingen van de Ring kunnen navertellen: over de goden, de reuzen, de Nibelungen, de draak, de held Siegfried. Maar wat vertelt de muziek daaronder ons? Onze samenleving wordt steeds liefdelozer. Dat is geen mening, maar een vaststelling. Wie verzorgt er nog zijn eigen ouders? Het is uiteindelijk de liefde die het lot van de wereld ten goede kan keren. Naar die boodschap leeft Wagner een kleine veertien uur toe, en dan, aan het slot van Götterdämmerung, verklankt hij die. Dat is diep ontroerend. En ja: ik geloof daarin.”

Europa

„Als sociaal-politiek denker was Wagner visionair. Duitsland bestond nog niet, maar hij had al vergaande ideeën over wat Europa zou moeten zijn. En hij had gelijk. Wat bindt Europa, wat tekent onze identiteit? Dat is onze christelijke en humanistische cultuur, waarin ook de meeste van onze wetgeving wortelt. Maar aan die cultuur wordt op scholen geen aandacht besteed, de focus ligt op bètavakken. En het betreft niet alleen het onderwijs, het is een veel breder probleem. Denk aan de respectloze toon van het kunstdebat, de ‘kijkcijfersdiscussie’ – die ik haat. „Waarom is De Nederlandse Opera internationaal toonaangevend? Omdat het hier is gelukt publiek te enthousiasmeren voor minder bekend werk dat wél de aandacht verdient. Want gelukkig is het niet zo dat de mensen zich afkeren van de kunsten. Als je cultuurconsumptie afzet tegen wat men als volksvermaak nummer één beschouwt – voetbal – is er voor cultuur nog altijd meer animo. Iedereen lacht me altijd hard uit als ik dat zeg, maar sla de cijfers er maar op na. Het is echt waar.”

Koorknaap

„Mijn vroegste jeugd bracht ik in Dresden door zonder mijn vader. Pas later, toen ik een jaar of vijf was, keerde hij terug van zijn krijggevangenschap en hernam zijn werk als rozenkweker. Op mijn negende werd ik lid van het Dresdner Kreuzchor. Dat was geweldig. Tegen mijn veertiende wist ik zeker dat ik dirigent wilde worden, op mijn vijftiende leidde ik mijn eerste concert. Dat besluit stuitte wel op weerstand.

„Aan mijn vroege jaren in het koor heb ik veel te danken. Het talenonderwijs in de DDR was beroerd. Engels heb ik pas hier in Amsterdam geleerd. Maar het kunstonderwijs was juist heel erg goed. Muziek moest, je kon dat vak überhaupt niet ‘laten vallen’. Zoals onder alle totalitaire regimes was er aan kunst een grote behoefte. Daarin kon je uiten wat in woorden niet mocht worden gezegd. Kunst was – en is – veel meer dan het ‘entertainment’ waarmee het nu vaak op één lijn wordt gesteld.”

Nederland

„In 1986 kwam ik naar Nederland om chef te worden van het Nederlands Philharmonisch Orkest, Nederlands Kamerorkest en, iets later, De Nederlandse Opera. Maar de Stasi verloor me ook toen niet helemaal uit het oog. Mijn dossier [Haenchens codenaam was ‘viool’] telt nu 920 pagina’s, maar er worden nog steeds documenten teruggevonden, en er zal ook wel veel vernietigd zijn. Hoe dan ook: eenmaal in Nederland moest ik 20 procent van mijn Amsterdamse salaris betalen aan de DDR. Voor mij toont dat aan hoe corrupt die ideologie was. In ruil voor geld maakte men voor mij een gaatje in de muur.

„Ik vond het aanvankelijk niet makkelijk hier te aarden. Omdat men vreesde dat wij communisten waren, konden mijn kinderen niet terecht op de Duitse school. En het vinden van een huis was ook lastig. Toen we eenmaal een huis hadden, is onze voordeur beklad met discriminerende graffiti. Het was traumatisch, maar het is erg lang geleden. Nederland is voor mij het land waar ik het langste en belangrijkste deel van mijn werkzame leven heb doorgebracht. Ik heb inmiddels geen huis meer in Amsterdam, maar ik ben wel Nederlands staatsburger en ik keer hier altijd heel graag terug.”

Chef-dirigent

„Ben ik niet meer. Niet van een symfonieorkest, niet van een operahuis. Mijn kamerorkest C.Ph.E. Bach, dat ik 34 jaar heb geleid, houdt eind van dit seizoen om financiële redenen op te bestaan. Terwijl het bouwen aan een orkestklank, het intensief samenwerken met een ensemble, wel datgene is waar ik als dirigent goed in ben. Veel hedendaagse chef-dirigentschappen omvatten contractueel maar acht weken per seizoen, maar dat is iets waar ik me principieel tegen verzet. Er zijn orkesten en operahuizen waar ik jaarlijks meer dan die acht weken aan het werk ben, maar ik wil dat geen chef-schap noemen. Chef zijn is voor mij een veel grotere verantwoordelijkheid. Ik zeg niet dat ik die nu stelselmatig uit de weg ga, maar er zijn weinig orkesten waar ik het zou ambiëren. Daarbij: ik ben zeventig. Structureel samenwerken met een aantal goede operahuizen en orkesten werkt prima voor mij.”

Yoga

„Dirigeren is een ervaringsvak. Bernard Haitink zei ooit: je kunt Wagners Ring niet dirigeren voordat je zestig bent, want dan begrijp je hem nog niet. En niet na je zestigste, want dan ga je er fysiek aan kapot. Daar zit wat in, haha. Trainen, voeding, je kunt je eigenlijk niet wapenen tegen die vier lange avonden in ruim één week tijd – vooral niet omdat die uitvoeringen komen ná de nog uitputtender repetitieperiode. ’s Ochtends doe ik yoga en wat spieroefeningen; dat is noodzakelijk. Thuis in Dresden heb ik fitnessapparaten, maar dit seizoen ben ik maar achttien dagen thuis. Al met al is het zaak om je krachten te sparen. Op de plaatsen waar het orkest of de zangers moe zijn, mag ik het niet zijn. Juist dáár moet ik die tweehonderd man omhoog trekken. Dat is zwaar, maar het kan. Al is er ook voor mij nog steeds veel raadselachtigs aan mijn vak, aan de overdracht van wilskracht via lichaamstaal. Je leert al doende welk gebaar hoe overkomt. En het Nederlands Philharmonisch kent mij natuurlijk ook heel goed. Dat maakt het samenwerken ook zo heerlijk. Maar ik ben niet iemand die na de voorstelling met de musici nog een glaasje gaat drinken. Ik vind dat, hmm, niet zo nodig. Tegenwoordig is het trouwens ook zo dat ik na zo’n lange avond dirigeren echt doodmoe ben. Ik drink dat glas wijn als beloning graag, hoor. Maar thuis. En zittend.”