‘Ach, zo’n Nobelprijs’

1979 Proefopstelling van de compact disc (cd). Een kwart eeuw na de introductie, in 1982, waren er al 200 miljard schijfjes verkocht.

Omdat je niet alles kan kopiëren, starten Anton en Gerard Philips in 1914 een eigen onderzoekslaboratorium – het befaamde NatLab. Het Natuurkundig Laboratorium levert een indrukwekkende stroom aan uitvindingen en innovaties: straatverlichting met natriumlampen, een draagbaar röntgenapparaat, de roterende scheerknop, de cd, MRI-scanners.

Door innovaties groeit Philips uit tot een wereldconcern. Een schril contrast met de start van het bedrijf. Philips’ Gloeilampenfabrieken Eindhoven weet na de oprichting in 1891 juist een marktpositie te verwerven door innovaties die elders zijn bedacht over te nemen en aan te passen. Zelf iets verzinnen is niet aan de orde.

Maar de revolutionaire ‘halfwatt’-lamp zorgt begin vorige eeuw voor een omwenteling in de bedrijfsstrategie. Anton en Gerard Philips worstelen met een dilemma. Ze produceren deze lamp, zonder dat ze de onderliggende natuurkundige processen en principes begrijpen. De halfwatt-lamp is uitgevonden door het onderzoekslaboratorium van General Electric en het resultaat van diepgravend en fundamenteel natuurkundig onderzoek naar de geleiding van warmte door gassen. De gebroeders Philips realiseren dat ze deze expertise niet in huis hebben en dat ze iemand iemand van buiten moeten aantrekken. Op 25 oktober 1913 plaatsen ze een advertentie in de Nieuwe Rotterdamsche Courant. ‘Gevraagd: een bekwaam, jong doctor in de natuurkunde, vooral ook goed experimentator. Brieven met inlichtingen omtrent leeftijd, levensloop en referenties aan de N.V. Philips’ Gloeilampenfabrieken Eindhoven.’

Twee dagen later meldt zich een kandidaat: Gilles Holst. Hij is op dat moment assistent van de Leidse fysicus – en kersverse Nobelprijswinnaar – Heike Kamerlingh Onnes. Na een gesprek met Gerard Philips kan de 27-jarige Holst aan de slag op de vierde verdieping van het Philipsgebouw in Eindhoven. Hij begint op 2 januari 1914 en maakt van het Natuurkundig Laboratorium, het NatLab, een van ’s werelds belangrijkste industriële researchcentra, ook voor puur wetenschappelijk onderzoek. Dit jaar viert Philips het eeuwfeest van de onderzoeksorganisatie.

Het prikkeldraad verdwijnt

Het NatLab levert veel innovaties, en de palmares van het laboratorium telt veel patenten, prijzen, eredoctoraten – maar de Nobelprijs ontbreekt, terwijl de Amerikaanse concurrent Bell Labs vroeger de ene na de andere Nobelprijs in de wacht sleepte. „Ach, zo’n Nobelprijs. Tussen een fundamentele wetenschappelijke ontdekking en een praktische toepassing zit zo’n 30 tot 35 jaar, en vaak is er helemaal geen toepassing in zicht”, zegt Henk van Houten, directeur van Philips Research – de moderne naam voor het NatLab. „Wij willen innovaties die er toe doen naar de markt brengen – geïnspireerd door onopgeloste problemen. Streven naar wetenschappelijke roem staat niet primair in ons vaandel.”

Het NatLab was gevestigd in de zogenoemde ‘verboden stad’ in het Eindhovense stadsdeel Strijp, dat deels was afgesloten met hekken, prikkeldraad en slagbomen. In de jaren zestig verhuist het NatLab naar een terrein in Waalre. In de jaren negentig concentreert Philips alle Nederlandse onderzoeksfaciliteiten op dit terrein, dat na een gemeentelijke herindeling onderdeel is van de gemeente Eindhoven.

Met de samenvoeging van de laboratoria verdwijnt ook het prikkeldraad en de slagboom – Philips maakt er een open onderzoeksterrein van: sinds 2002 is de naam Philips niet meer verbonden aan het complex en draagt de Campus de naam ‘High Tech Campus Eindhoven’. De campus biedt op dit moment onderdak aan ruim honderd bedrijven en instituten er werken zo’n 10.000 onderzoekers en ondernemers. „Het past bij ons principe van open innovatie”, legt Van Houten uit. „Jezelf niet opsluiten in een ivoren toren, maar met de overige bewoners van de campus faciliteiten delen en kennis uitwisselen.”

Philips Research werkt inmiddels met honderden universiteiten en andere kennisinstellingen samen en levert zo’n 25 parttime hoogleraren in binnen- en buitenland. „Bijna 75 procent van onze onderzoeksprojecten worden uitgevoerd in samenwerking met universiteiten, ziekenhuizen of overheidsinstellingen”, zegt Van Houten. Philips besteedt bijna 2 miljard euro aan research & development – 7,3 procent van de omzet, iets meer dan concurrenten zoals Siemens. Topman Frans van Houten, de jongere broer van Henk, streeft ernaar dit percentage te verhogen. Of dat lukt, wordt volgende week duidelijk wanneer Philips de cijfers over afgelopen jaar publiceert.

Einstein in Eindhoven

Het ontwikkelen van eigen kennis en dat beschermen als intellectueel eigendom is, volgens Van Houten, „cruciaal, anders kun je niet overleven”. Een groot contrast met de beginjaren, waarin de gloeilampenfabriek juist een marktpositie verwerft door innovaties die elders zijn bedacht te kopiëren. Door het ontbreken van een Nederlandse octrooiwet kan Philips andermans uitvindingen straffeloos kan kopiëren.

Daar komt in 1910 een einde aan. Nederland krijgt een octrooiwet, waardoor uitvindingen worden beschermd. Naar voorbeeld van de Amerikaanse concurrent General Electric wordt door Philips het NatLab opgericht. Zelf innoveren loont nu, want de uitvinding is dus beschermd.

De verantwoordelijkheid voor het NatLab ligt bij Gerard Philips – een in Delft opgeleide ingenieur. Anton Philips steunt de kostbare investeringen in eigen en fundamenteel onderzoek vooral omdat die Philips’ octrooipositie ten opzichte van de concurrenten versterken. Maar ook om de producten verder te verbeteren door beter begrip van de materialen en fysische verschijnselen.

De eerste uitdaging voor het NatLab is het geheim te ontfutselen van de halfwatt-lamp van General Electronic. Hoog op de agenda staat ook de speurtocht naar nieuwe lichtbronnen op basis van gasontladingen en fluorescentie. Daarbij krijgt Philips in 1917 van artsen het verzoek om defecte röntgenbuizen te repareren, omdat men daarvoor niet meer terecht kon in Duitsland. Dat land was nog verwikkeld in de Eerste Wereldoorlog. „De daaruit voortvloeiende ontwikkeling van eigen röntgenbuizen is eigenlijk het begin van het huidige Philips Healthcare”, zegt Van Houten.

De verhuizing van het NatLab van het Philipsgebouw in Eindhoven naar stadsdeel Strijp in 1922 was de opmaat naar een enorme productverbreding: radio, televisie, grammofoon, luidspreker, scheerapparaat. Op het NatLab heerste een uitdagend wetenschappelijk klimaat. Holst stimuleert de wetenschappers om te publiceren in wetenschappelijke tijdschriften: dat is goed voor de motivatie van de wetenschapper, het NatLab en Philips. En hij organiseert colloquia met gerenommeerde fysici. In het voorjaar van 1923 houdt Albert Einstein in het NatLab een voordracht over quantumpuzzels. De aantrekkingskracht van het NatLab op academisch talent vanuit binnen- en buitenland is groot.

Tussen het NatLab en de productiebedrijven waar de lampen en radio’s worden gemaakt, stonden zogeheten proeffabrieken waar prototypes worden gebouwd en getest. In de loop der tijd worden de productiebedrijven uitgebreid met eigen laboratoria die oplossingen bedenken voor praktische problemen en aan productontwikkeling doen. De opkomst van die fabrieken met eigen laboratoria creëert bij het NatLab de ruimte voor nog meer eigen onderzoek. In 1946 wordt Gilles Holst opgevolgd door Hendrik Casimir – een briljante theoretisch fysicus die bij Niels Bohr, één van de grondleggers van de atoomfysica, heeft gewerkt.

In het NatLab van Casimir draait het vanaf dan vooral om fundamenteel onderzoek – je laten sturen door concrete toepassingen in Philipsproducten is niet direct de bedoeling. Zo doet het Natlab onderzoek naar de halfgeleider SiC (silicum-carbide) – geen enkele productdivisie toonde interesse. Het onderzoek is goed voor vijf proefschriften en honderden artikelen. De kosten zijn geen probleem. De welvaart groeit, consumenten hebben meer te besteden, de tv’s en radio’s worden en masse verkocht. Philips heeft de economische wind mee.

Operatie Centurion

Maar eind jaren zestig zet de kentering in. In reactie op de teruggang van de wereldeconomie, versterkt door de oliecrisis, zet Philips de tering naar de nering. De efficiëntie moest omhoog, de kosten omlaag. Met de komst van Eduard Panneborg als opvolger van Hendrik Casimir in 1972 wordt de onderzoeksagenda aangepast. Panneborg ziet meer in market pull dan in het technology push: naar de consumenten en de markt luisteren wordt vanaf nu het credo. Fundamenteel onderzoek doen om zo kennis op nieuwe gebieden te genereren, is niet langer waar in het in het NatLab om draait. Stirlingmotor (een geavanceerde heteluchtmotor), biologie en futurologie worden geschrapt in Eindhoven.

In het kader van bezuinigingsoperatie Centurion van toenmalig Philips-topman Jan Timmer wordt in 1990 fors gesneden in de researchactiviteiten, die wordt met bijna 20 procent teruggebracht naar 3.300 werknemers. Ook komt er een einde aan de financiële autonomie. Het NatLab kreeg altijd geld ‘van boven’ (lees: rechtstreeks van de raad van bestuur). Nu moest tweederde van het budget via contractresearch bij de productdivisies worden opgehaald.

Om het bedrijf weer op de rails te krijgen worden activiteiten afgestoten. Voor een deel zijn deze overgenomen door nieuwe bedrijven. ASML start in 1984 als joint venture van Philips met ASM International en bouwt met groot succes machines voor de fabricage van chips.

„Het resultaat is dat Philips – en daarmee ook Philips Research – zich nu op drie terreinen concentreert: healthcare, consumer lifestyle en lighting”, zegt Van Houten. „We richten ons ook veel meer op de professionele gebruiker – en hebben het onderzoek gekoppeld aan innovatiedoelen die afgeleid zijn van de grote maatschappelijke uitdagingen en de problemen en behoeften van de eindgebruiker.”

In Eindhoven zit het hoofdkwartier van Philips Research, daarnaast zijn er nog zes onderzoekscentra wereldwijd verspreid. Trend is dat deze centra groeien in relatie tot Eindhoven. „Research moet dichtbij de consument staan”, zegt Van Houten. „Een geavanceerde rice-cooker moet je niet in Eindhoven willen uitvinden, maar in Shanghai.”