Van Dale trapt nu lichtjes en elektrisch

illustratie angel boligan

In 1861 of kort erna werd in Parijs de trapfiets uitgevonden: de fiets met trappers, die toen op het voorwiel gemonteerd waren. De fiets kwam naar Nederland, maar werd hier niet van meet af aan fiets genoemd. Dat woord moest nog bedacht worden. De uitvinding van de trapfiets vond ongeveer in dezelfde tijd plaats als het verschijnen van de eerste editie van het woordenboek Van Dale. Dat was in 1864, zij het dat de naam Van Dale toen nog niet aan het woordenboek verbonden was. De eerste editie had als titel Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal en was samengesteld door de Amsterdamse broers Isaac en Nathan Calisch. Pas bij het verschijnen van de tweede editie, in 1874, ging men het Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal beschouwen als het eerste Van Dalewoordenboek. Dat kwam omdat de samensteller van die tweede editie, Johan Hendrik van Dale, onderwijzer en archivaris te Sluis (Zeeland), het woordenboek van de broers Calisch als basis nam voor zijn woordenboek. Die tweede editie verscheen tussen 1872 en 1874.

Qua fiets was er in de eerste editie alleen nog maar sprake van de ‘draisine’, die omschreven werd als ‘soort loopwagen’. ‘Loopwagen’ zelf was in die eerste editie ook als trefwoord opgenomen, met als betekenisomschrijving: ‘waarin een kind leert lopen’. Maar die loopwagen was toch een heel andere loopwagen dan de draisine, een uitvinding uit 1816 van de Duitser Karl von Drais. Het was een fiets zonder trappers, en eerder een grotemensenstep (met zadel) dan een fiets.

In plaats van draisine werd de loopfiets ook wel vélocipède genoemd. Dat was een logische woordkeuze, want vélocipède bestaat uit de Latijnse woorden velox (snel) en pes (voet). Hoe sneller de berijder zich met de voeten afzette, hoe harder de loopfiets ging. Het woord vélocipède was echter niet te vinden in het woordenboek van de broers Calisch uit 1864. Maar in de tweede, door Van Dale bewerkte editie stond het wel, met als omschrijving: ‘Een kunstmatig voertuig, dat met de voeten wordt in beweging gebracht’. Met die omschrijving kon zowel de loopfiets als de trapfiets bedoeld zijn, maar aannemelijk is dat het de trapfiets betrof, omdat in die tweede editie ook weer het woord draisine stond vermeld: ‘eene soort van loopwagen’, zonder dat een verwijzing werd gemaakt naar de vélocipède. Tussen haken werd in de tweede editie aan de definitie van vélocipède toegevoegd: ‘Prof. De Vries heeft voor het vreemde vélocipède, het Nederlandsche wieler verkozen’. Dat woord was zelf eveneens in die tweede editie opgenomen, met daarbij alleen de verwijzing: ‘zie vélocipède’.

‘Prof. De Vries’ was Matthias de Vries, een woordenboekmaker die werkte aan het Woordenboek der Nederlandsche Taal (niet te verwarren met het Van Dale-woordenboek). De Vries was voorstander van het vernederlandsen van vreemde woorden. Wieler had hij niet zelf bedacht maar overgenomen uit een artikel dat in 1869 in het Vlaamse dagblad De Stad Gent was verschenen. Degene die de wieler bereed, noemde hij een wielenaar. Dat woord stond evenwel niet in de tweede editie van Van Dale. Het verscheen wel in de derde editie, uit 1884. Maar zowel wieler als wielenaar was geen lang leven beschoren.

In de derde editie (1884) bleef de omschrijving bij vélocipède gelijk aan die uit de tweede editie. In de vierde editie (1904) werd de definitie aangepast: ‘licht voertuig op 2, 3 of 4 wielen, dat met de voeten in beweging gebracht wordt en waarmede men eene groote snelheid kan verkrijgen’. Daarbij was nog vermeld: ‘rijwiel, fiets’. Fiets was in de vierde editie ook voor het eerst als zelfstandig trefwoord opgenomen, met de korte omschrijving: ‘vélocipède, rijwiel’. Het woord ‘fiets’ was rond 1885 gangbaar geworden in Nederland. Waar het toen zo plotseling vandaan kwam, is tot op heden onbekend gebleven. Wel zijn er in de loop van de tijd flink wat mogelijke verklaringen voor de herkomst opgesteld, waarvan de laatste is dat fiets van vize komt, van het Duitse vize-Pferd (een vervangingspaard).

Ook het woord fietsen was in de vierde druk (1904) voor het eerst opgenomen, met als omschrijving: ‘op de fiets rijden’. En bij rijwiel , dat in de eerste drie edities eveneens had ontbroken, luidde de omschrijving: ‘vélocipède, fiets’. Bij rijwiel werden in de vierde editie meteen ook diverse samenstellingen opgenomen, onder andere rijwielwoede: ‘overdreven begeerte om te wielrijden of om een rijwiel te bezitten’.

Vélocipède werd in de vijfde editie (uit 1914) als verouderd bestempeld: ‘Verouderde benaming voor: rijwiel, fiets’. Die omschrijving kreeg het ook in de zesde editie (uit 1924). In de zevende editie (1950) veranderde de omschrijving in: ‘Naam van de eerste, primitieve modellen van fietsen’. In de vijfde editie (1914) kreeg fiets zijn eerste samenstellingen, waaronder fietsendiefstal, met de voorbeeldzin: ‘fietsendiefstallen zijn aan de orde van den dag’. In 1914 dus al.

Van de zevende editie (1950) tot en met de elfde (1984) werd fiets omschreven als: ‘het gewone woord voor rijwiel’. Dat was geen echte definitie, omdat er niet mee gezegd werd wat een fiets is. Dat besefte de redactie uiteindelijk ook en in de twaalfde editie (1992) kwam er te staan: ‘Tweewielig voertuig dat door het trappen op pedalen wordt voortbewogen’. Die omschrijving staat ook nog in de veertiende en laatste editie uit 2005.

Als je nu van 150 jaar Van Dale en ruim 150 jaar fiets een gemeenschappelijke conclusie trekt, dan kan die luiden dat ze allebei verfijnder zijn geworden. De onevenwichtige woordenverzamelaar die het woordenboek ooit was, is veel preciezer geworden. En de instabiele bottenrammelaar die de fiets ooit was, trapt nu lichtjes weg. En om de parallel verder door te trekken: van beide is ook een elektronische versie. In het geval van het woordenboek zal die op termijn de papieren editie waarschijnlijk volledig doen verdwijnen. Maar zover is het nog niet. Van Dale heeft voor 2015 de vijftiende editie aangekondigd van de dan mogelijk nog dikkere ‘dikke Van Dale’.