Tussen de sterren en de zompige aarde

Leraren gaan met pensioen. En ambtenaren. En militairen, vuilnismannen en verpleegsters. Maar schrijvers niet. Neem Leo Pleysier en Paul Claes, 68 en 70 jaar. Ze schreven allebei weer een nieuw boek: levendig, met soepel lopende zinnen, komisch vernuft, mooie formuleringen, zonder onnodige sier. Ze hebben het beiden wel (maar dat hadden ze voor de pensioengerechtigde leeftijd ook al) regelmatig over leven en dood – en over de korte tijd die een mens gegeven is ‘van hutje tot putje’, zoals Claes het uitdrukt in Plastic love, zijn tiende roman. Ook Pleysier laat zijn verhaalfiguren in zijn bundel De zoon, de maan en de sterren regelmatig peinzen over de tijd. ‘Nooit gedacht dat het allemaal zo snel voorbij zou gaan’, mijmert een vader over zijn dochter die naar zijn idee nog maar kort geleden leerde fietsen en nu is ze op reis – in verre, onveilige oorden. Het liefst zou hij haar onzichtbaar vergezellen.

Ook de narrige hoofdpersoon van Plastic love, die het leven met argusogen beziet, koestert het verlangen om overal te zijn, zonder opgemerkt te worden. Als hij, als student, rond zijn twintigste, acid gebruikt, koestert hij even de illusie dat hij tijd en ruimte definitief onder controle heeft. ‘Op het uitspansel van zijn ogen bewogen de sterren […]. Over zijn pupillen krasten trage meteoren hun banen’, heet het gelukzalig. Beide schrijvers zoeken het zowel in het hogere, het uitspansel, als in de dagelijkse werkelijkheid. In ‘Hemelvaart’, het langste verhaal van Pleysier, laat hij iemand rondzweven in het mandje van een heteluchtballon. Hij kijkt uit over de Vlaamse Kempen en geeft oren en ogen de kost. Hij registreert, op de quasi achteloze praattoon waar Pleysier het patent op heeft, flarden van gesprekken over zulke uiteenlopende zaken als claustrofobie, de Korea-oorlog, tekenbeten, kerstboomversiering, vriendschappelijke bombardementen, uitgebrande maaidorsers, drones en ‘astrante’ zwarte Turnhoutenaars. En hoewel de conversatieflarden nogal abrupt in elkaar overgaan, zijn ze stuk voor stuk goed te volgen en in al hun beknoptheid vaak nogal geestig.

Varken

Beide schrijvers moeten het hebben van de spanning tussen de comfortabele opvlucht richting maan en sterren en het zompige aardse. Bij Pleysier zie je bijvoorbeeld een schooljongen half geïmponeerd, half afkerig heendraaien om een thuis geslacht varken dat in hompen en bouten door het het hele huis ligt uitgestald. In een ander verhaal is het een gestorven grootvader die hem ontzag en angst inboezemt. Opa ligt ontzield op een baar, maar de kleinzoon is er niet helemaal gerust op. Als de deur van de sterfkamer door een tochtvlaag ineens opengaat, stormt hij ‘vierklauwens’ de trap op naar zijn slaapkamer, waar hij diep weggescholen onder de dekens nog een hele tijd ‘water en bloed’ ligt te zweten.

In Plastic love draait alles op een ingenieuze manier om vrouwen – zoals eigenlijk altijd bij Claes. We leren hoofdpersoon Herman kennen als een eenzelvige puber, die ooit de code van het leven hoopt te kraken met wiskundige formules. In latere hoofdstukken zien we hem terug als wiskundeleraar die plichtmatig zijn lessen afdraait en die al even plichtmatig een kinderloos, uitgeblust huwelijk in stand houdt. Zijn enige passie, zo blijkt al snel, ligt in het heimelijk veroveren en beminnen van steeds jongere vrouwen. Hij eindigt met een vroegrijp meisje van vijftien, dat haar wiskundeleraar in tussenuren en na schooltijd graag ter wille is. Hij roemt haar ‘pruilmondje’, haar ‘konijnentandjes’ en haar ‘rozerode’ lippen ‘die zich sloten om de obscene pijp van zijn lolly’. Herman vraagt zich niet af waarom zo’n jong meisje valt op een veel oudere man, maar noemt haar ‘het licht van zijn leven, de zon in zijn mistbank’.

Herman loopt ijverig zijn lolly achterna, maar is naar eigen zeggen geen echte man. Hij is onvruchtbaar. Dit is het soort tegenstellingen waar Claes dol op is. Hij werkt graag met stoere rokkenjagers die, als puntje bij paaltje komt, niets voor elkaar krijgen. Of met mannen die zichzelf pas herkennen in een vervormende lachspiegel. En die zich, met de moed der wanhoop, storten in een onmogelijke verhouding, in ‘plastic love’, waar ze dan ware liefde in herkennen. Het laat zich wel raden dat de vermeende idylle tussen Herman en het meisje Cora zal stranden, al komt Claes in de laatste hoofdstukken nog met verrassende details op de proppen. De spectaculaire ontknoping, compleet met enkele doden, draagt zelfs in hoge mate bij aan de amusementswaarde van Plastic love.

Spiegelpaleizen

Twee Vlaamse schrijvers van ongeveer dezelfde leeftijd hebben dus een heel verschillende benadering van zaken als liefde, leven en dood. Claes kiest voor de plastic variant, voor spiegelpaleizen waarin schimmige figuren elkaar op een heel ingewikkelde manier aan het lijntje houden – met alle tragiek die daar toch ook bij komt kijken.

Wie houdt van warmbloedigheid, van heuse dorpstaferelen en echte liefde tussen man en vrouw, en tussen ouders en kinderen, zal meer genieten van de heimweeverhalen van Pleysier waarin we flarden zien van een ouwe, ambachtelijke tijd. Daar komt geen plastic aan te pas. Oude opa’s verdwijnen niet in verpleeghuizen, maar worden liefdevol in het huis van hun zoon opgenomen. Er worden weckpotten gevuld voor de winterdag. En zelfs de oneetbare zwezerik van het geslachte varken komt er nog goed van pas: voor het invetten van authentieke werktuigen en gereedschappen.