Oude Nieuwe Ooster

Iets te enthousiast begroette ik mijn vrienden. Daar was het de dag niet voor. Ik kon het niet helpen – ik ken dit groepje nog niet eens zo heel lang, maar ben altijd zo blij om ze te zien. De laatste keer dat we met z’n allen samen waren, was tijdens het oud-en-nieuwfeestje van J. Vanaf zijn dakterras in Watergraafsmeer had het geleken alsof de hele stad speciaal voor ons vuurwerk had afgestoken. Daarna hadden we gedanst, geproost, gedronken. Vriend F was al wat stiller geweest dan normaal. We schonken hem die nacht extra vaak bij en knuffelden hem nog eens en toen nog maar eens.

Op deze miezerige doordeweekse ochtend begroeven we zijn vader.

Het heeft iets geks om naar een begrafenis te gaan van iemand die je nooit ontmoet hebt. Alsof het eigenlijk niet gepast is om er te zijn als je nooit door die persoon in de maling bent genomen, nooit te maken hebt gehad met zijn koppige karakter, zijn prettige stem nooit hebt gehoord. Ik weet dat dat onzin is, dat je sowieso niet voor jezelf komt, maar ik was – ik denk daarom – toch een beetje nerveus van tevoren. Een begrafenis is zo intiem en de dood blijft ongemakkelijk, ook al heb ik al honderden begrafenisstoeten voorbij zien komen, juist hier op De Nieuwe Ooster.

Ik heb daar namelijk jarenlang naast gewoond. Als ik ’s avonds fietsend aankwam bij de Kruis- laan, waar die enorme begraafplaats begint, wist ik dat ik nog precies één liedje kon luisteren op mijn iPod. Mijn spel was altijd om precies bij het slotakkoord de huissleutels in het slot te steken, dus meestal moest ik langs de plechtige bomenrij racen, maar bij een lang nummer werd ik er ingehaald door de lijkwagens die af en aan reden. Langs die stille, donkere Nieuwe Ooster fietsen voelde alsof ik een slotgracht overstak waarmee ik de drukte van de stad achter me liet. Aan de andere kant lag mijn veilige dorp. Betondorp.

Een paar honderd meter verder en ik had in Diemen gewoond, maar hier was het juist nog heel erg Amsterdams, een uniek gedeelte van de stad. Mijn buren waren unaniem dove en hele lieve bejaarden, dus feestjes geven was nooit een probleem. Ik genoot in het weekend van de geluiden van de sportvelden aan de overkant en doordeweeks van het kindergeschreeuw afkomstig van de basisschool achter ons. Vaak zat ik veel te lang uit het raam de mormonen te bespieden die naar de kerk om de hoek, op de Zaaiersweg gingen; die net te brave kapseltjes, die veel te lange rokken. Maar nog interessanter waren die bijzondere begrafenisstoeten die ik in de loop der jaren voorbij heb zien trekken: een goud glimmende kist op een goud glimmende koets met een kudde sneeuwwitte paarden ervoor, een kist met twintig hardop wenende, zwart gesluierde vrouwen erachter en misschien wel de allerindrukwekkendste: een oneindige mars van grote stoere mannen in Ajaxoutfits die allemaal huilden, om Bobby Haarms.

Zelf heb ik er al die tijd maar één begrafenis bijgewoond, van een buurman. Ik was toen een van de negen bezoekers. Op de begrafenis van de vader van F waren zeker tweehonderd man. Tweehonderd man van wie ik er maar een stuk of tien kende, maar na afloop kende ik ook die elfde een beetje. Het is jammer dat ik hem daar voor het eerst en het laatst groette.