Mevrouw de sergeant sterft schreeuwend, elke nacht weer

Melania Mazzucco (1966) heeft een bewonderenswaardig vermogen zich in zeer uiteenlopende personages te verplaatsen. Het toppunt van empathie bereikte ze in Een volmaakte dag, waarin ze het perspectief verleende aan een politieman die zich op zijn ex-vrouw wreekt door hun kinderen dood te schieten, alvorens zelfmoord te plegen. Je kunt en wilt je bij zo’n gezinsdrama niets voorstellen, maar Mazzucco deed het toch, met aangrijpend resultaat.

Voor haar laatste roman, Limbo, heeft Mazzucco zich in gevechtstenue gehesen. De hoofdpersoon is Manuela Paris, een 28-jarige vrouwelijke sergeant in het Italiaanse leger die is uitgezonden naar Afghanistan. Laat het maar aan Mazzucco (en haar vaste vertaalster Manon Smits) over het bijbehorende jargon te treffen: na een cordon and search-actie op zoek naar een high value target heb je kans veilig de FOB (Forward Operating Base ) te bereiken als je tenminste niet op een IED (Improvised Explosive Device) loopt.

Het verhaal begint met de thuiskomst van de zwaargewonde Manuela in Ladispoli, ‘de lelijkste kustplaats van Lazio’. Even deprimerend als haar woonplaats is haar moeders flat, waar ze intrekt om te revalideren en waar ook haar oma, zus en nichtje wonen. We lezen afwisselend over het heden, waarin Manuela kampt met haar PTSS en een moeizame relatie aanknoopt met een mysterieuze gast in een verder verlaten strandhotel. Ze herbeleeft ook het verleden in Afghanistan door de schrijfopdracht die de legerpsycholoog haar heeft opgegeven. Het hele boek is geschreven in een vlotte, alledaagse, ‘functionele’ stijl, prima geschikt voor de gevechtsscènes in de woestijn, maar wat glansloos in de tragere hoofdstukken over Manuela’s herstel en haar afspraakjes met hotelgast Mattia.

De zelfmoordaanslag die haar verwondde heeft haar manschappen het leven gekost. Daardoor is ook zij in zekere zin gestorven – en sterft ze iedere nacht opnieuw, schreeuwend in haar slaap. Je zou kunnen zeggen dat ze in een wachtkamer tussen hemel en hel verblijft, een voorgeborchte, wat in de katholieke theologie een limbus heet en in computergames een ‘limbo’.

Het wachten is op het moment dat ze weer tot leven komt, en dat wachten duurt in dit boek te lang. Gelukkig heeft Mazzucco een troefkaart in haar mouw. Op het eind laat ze die mysterieuze hotelgast zijn verhaal doen in een bundeltje brieven aan Manuela. Ook hij leidt een schaduwbestaan; Mattia is niet zijn echte naam, hij noemt zich zo naar Wijlen Mattia Pascal, Pirandello’s roman over een doodgewaande man die denkt een nieuw leven te beginnen.

In deze brieven geeft Mazzucco opnieuw blijk van haar sublieme talent zich in te leven in mensen die in ongewone situaties verkeren, en daarmee redt ze haar net iets te dik uitgevallen roman.