Mest en Brabeau: het leven is goed in het Brabantse blad

MEST, dat is nog eens een goede naam voor een tijdschrift. Kort, prikkelend, raar. „Bijzondere cultuur in Noord-Brabant” is het motto. MEST verschijnt in Noord-Brabant en gaat over cultuur. Mest maakt grond vruchtbaar, zodat er een cultuur kan ontstaan. En voor een Brabant is MEST helemaal toepasselijk, met z’n enorme veestapel.

Een blad maken voor alleen Noord-Brabant is niet gek: het is de derde provincie van het land, met 2,5 miljoen inwoners. Daarom nog maar een Brabants blad: Brabeau. Klinkt glossyachtig met dat ‘beau’, en het is ook een variant op Brabo.

MEST ziet er prachtig uit. Mooi dik mat papier, strak vormgegeven, goede typografie. De kopletters doen denken aan de onmogelijke figuren van Escher. Het kwartaalblad (7,95 euro) is bijna een jaar oud, oplage: 4.500. Gesteund door het Prins Bernhard Cultuurfonds (met 15.000 euro, volgens zijn database) en de provincie. Flink gesubsidieerd dus, er staan nauwelijks advertenties tussen de 75 pagina’s.

Interviews, opinies en reportages over theater, popmuziek, fotografie (geweldige foto’s van vrouwen in Spakenburger klederdracht, omdat daarvan een expositie is in Bergen op Zoom), kunstbeleid, literatuur en een uitgebreid en vrolijk verslag van het carnavalsliedjesfestival Kwèkfestijn. Het is absoluut geen blad voor de hardcore highbrow kunstelite, maar een prettig tijdschrift voor liefhebbers van kunst en cultuur. Al staat zo hier en daar wel typisch kunstenaarsgeneuzel: „De gaten in mijn theorieën vormen de basis van mijn zijn.”

Brabeau (4,95 euro) verschijnt ook vier keer per jaar, sinds maart 2012, in een oplage van 20.000. Het is minder verrassend, voorspelbaarder zo u wilt, dan MEST. Het lijkt op landelijke glossy’s: een recept, leuke adresjes, een interview – de bekende Brabander is taalman Wim Daniëls – een interieurreportage, tuintips. Dat is niet erg, als het maar goed gedaan wordt. Brabeau doet het best goed.

Schot in de roos zijn de historische verhalen. Over de ondergang van „kruideniersimperium” De Gruyter – met in de jaren zestig 550 winkels in heel Nederland. „Hun naam was De Gruijter, maar ze schreven De Gruyter. Dat scheelde twee transformators bij de neobelettering op de winkelpuien.” Lekkere oude foto’s erbij: de fabriek in Den Bosch, winkelpersoneel, reclamemateriaal van weleer.

Dan een stuk over de Nederlandse Landgeit, als we Brabeau moeten geloven had zowat elke Brabantse boerderij vroeger zo’n geit, en een historica vertelt over het heerlijke Brabantse worstenbroodje. Voilà: een fijn blad van 100 pagina’s.

Wat een gezellig land, dat Brabant. Of zoals MEST schrijft: „Alles van waarde weegt in het zuiden honderd gram. Ons mam, ons pap, ons Brabant.”