‘Ik wil niet pleasen’

Wytske Versteeg kwam naar de Amsterdamse interviewlocatie met de trein, drie dagen voor ze in dezelfde stad tot haar grote verrassing zou horen dat ze de winnaar is van de BNG Bank Literatuurprijs 2013. De reis vindt ze geen punt: ze zit vaak en graag in de trein, wonend in Delft en werkend als promovenda in Enschede. „Je ziet en hoort onderweg zo veel kleine dingen die interessant worden als je er goed naar kijkt en ze goed beluistert. Ik zag eens een backpacker, op weg naar Schiphol. Zijn vader zwaaide hem uit op het perron en drukte een pluchen ijsbeertje tegen het raam. Die jongen schaamde zich dood. Daar zie ik een verhaal in”, zegt de schrijver.

Waarom? Nu klinkt de wetenschapper: „Je hebt twee partijen die met elkaar verbonden zijn, maar ook een heel ander belang hebben. De jongen gaat een eigen leven opbouwen en die vader kan dat nog niet aan. Er speelt een heel leven op de achtergrond, een gezinsrelatie, een machtsverhouding.”

Gezinsrelaties en machtsverhoudingen interesseren Versteeg (30), als politicoloog („Politicologie gaat over alles wat met macht te maken heeft”) en als schrijfster van inmiddels twee romans. Naar aanleiding van haar laatste, Boy, kreeg ze gisteren de prijs ‘voor jonge schrijvers met een jong oeuvre’ – en daarmee 15.000 euro.

Versteegs debuut De wezenlozen (2012) werd zeer goed ontvangen, maar de reacties op Boy liepen sterk uiteen. „Ik denk dat dat is omdat het boek gaat over taboeonderwerpen en omdat het verhaal verteld wordt vanuit een verbitterde vrouw, geen heel sympathiek personage”, zegt Versteeg. „Sommige mensen willen daar liever niet over lezen. In negatieve recensies werd dat vaak als argument genoemd: dat het toch niet kán dat een moeder zó doet. Maar de werkelijkheid is vaak vreemder dan fictie kan verdragen.”

De moeder van Boy, een geadopteerde jongen die als puber plotseling verdwijnt en levenloos aanspoelt op het strand, rouwt, maar blijft afstandelijk. Ongemakkelijke onderwerpen – behalve de onsympathieke (adoptie)moeder ook een verboden liefde en verregaande pesterijen – gaat Versteeg niet uit de weg. Juist niet. „Daar ligt het verhaal dat mij het meest interesseert.”

Beeldhouwen, niet kleien

Maar met die taboeonderwerpen is het boek voor de auteur niet begonnen, zegt ze. En ook niet met de ‘plot’: de zoektocht van de moeder naar de toedracht van Boys dood. Omdat ze vermoedt dat de dramadocente van Boy er iets mee te maken heeft, vertrekt ze naar Bulgarije, waar de docente zich op het platteland heeft teruggetrokken. Boys moeder zint op wraak.

Nee, zegt Versteeg, het verhaal kwam pas later. Het begint „met een soort ideetje, wat personages en een paar zinnen. Geen cruciale zinnen, eerder zinnetjes die het decor vormen. Waar het verhaal over gaat, doemt er later wel uit op.” Ze schrijft „in cirkels”. Waarmee ze wil zeggen: herschrijvend en heroverwegend, zoekend. „En die cirkels worden steeds kleiner, ik kom steeds dichter bij de kern. Tijdens het schrijven benader ik steeds meer wat het verhaal moet zijn.”

Rafeltjes

Schrijven is eerder aftasten dan uitstippelen – „eerder beeldhouwen dan kleien”. „Bij Boy liep ik vast toen ik al een eind op weg was, toen ik het verhaal had geschreven vanuit het perspectief van een ander personage, de docente Hannah. De stem van Boys moeder was toch interessanter. Ik kon dus opnieuw beginnen, maar zo werk ik het liefst: het lijkt me saai om van tevoren te weten wat er gebeurt. Ik laat me liever meedrijven en word dan verrast door mijn personages. Al levert dat wel veel werk op.”

Dat gevoel van verrassing waardeert ze ook in het werk van de schrijvers die ze het liefst leest – ze noemt Nobelprijswinnares Alice Munro. „Zij schrijft over heel gewone levens, maar toch zijn haar verhalen ontzettend spannend. Wanneer je als lezer de neiging hebt om achterover te leunen, omdat je wel doorhebt hoe de zaken moreel in elkaar zitten, blijkt dat het toch weer anders in elkaar zit, complexer.”

„Ik zoek graag naar wat ingewikkeld is, naar het niet-gangbare verhaal. Het gangbare verhaal zou in Boy geweest zijn dat de moeder liefhebbend was geweest, alles eraan had gedaan om haar zoon te steunen. Dan was het veel gemakkelijker om met haar te sympathiseren. Maar ze is verbitterd, niet knuffelbaar. Ik heb een zwak voor zo’n onmogelijk personage.”

De uitreiking

Versteeg houdt van die verhalen die ingaan tegen het algemene gevoel, maar die daardoor misschien wel meer waarheid bevatten – datzelfde doet ze in haar promotieonderzoek. „Dat gaat over hoe mensen communiceren en in gesprekken de wetenschap inzetten. Het gangbare verhaal is dat het gezag van wetenschappers afbrokkelt, dat het publiek er niet in geïnteresseerd is. Een van mijn hypotheses is dat dat wel meevalt.” Maar literatuur schrijven is iets anders, zegt ze. „Dan doe ik niet aan hypotheses. Ik vind liever achteraf thema’s of ideeën terug in wat ik heb geschreven dan dat ik van tevoren bedenk wat ik aan de kaak wil stellen.”

Een modieuze schrijver is Versteeg niet – Boy is eerder klassiek literair. Volgens de BNG-jury doet ze „geen enkele moeite om de lezer te behagen”. Erg happig om als schrijver haar persona uit te venten is ze evenmin. „Vraag een schrijver niet ter plekke om met iets spontaans te komen”, verontschuldigde ze zich gisteren, bij wijze van dankwoord tijdens de uitreiking van de prijs. „Tenminste: vraag dat niet aan een schrijver als ik.” Meer woorden van dank had ze niet voorbereid, bekende ze, blozend, stomverbaasd – ze was naar de uitreiking toe gekomen in de overtuiging dat één van haar genomineerde collega’s de prijs zou winnen. Dat ze als verse laureaat ook nog meegetroond werd naar een diner met de jury, en meteen daarna door naar de studio van Opium TV, onderging ze gelaten.

„Je ontkomt er niet helemaal aan”, zei ze eerder tijdens het interview. Liever treedt ze niet op de voorgrond. Laat haar maar in de trein zitten, luisteren en schrijven. „Ik houd er niet zo van om na te denken over mijn imago – dat staat volgens mij haaks op wat je moet doen als schrijver. Het gaat niet om mij, het gaat om mijn verhaal. Dat Alice Munro zo goed is, komt mede doordat zij op de achtergrond blijft en goed kijkt naar wat er gebeurt. Als je bezig bent met: ‘Ziet iedereen mij wel?’ ben je meer bezig met gezien worden dan met zelf kijken. En bovendien moet een schrijver niet kijken naar wat er mooi en geweldig is, zoals iedereen op de sociale media doet. Je moet juist zoeken naar rafeltjes en scheurtjes. Daar worden je personages misschien minder knuffelbaar van. Tja. Ik wil niet pleasen.”