Historie als valkuil

Bijna ieder mens heeft iets van een dier: een poes, een hond, een uil, een muis, enzovoorts. Zo ook Maarten Brands. De foto op de omslag van zijn verspreide geschriften laat geen twijfel: hier houdt een pientere olifant alles in de gaten. De olifant is een intelligent dier en heeft een goed geheugen: ‘an elephant never forgets’. Ook Brands, een mastodont onder de contemporaine geschiedkundigen, ontgaat weinig en vergeet nog minder.

Het is goed dat van deze tachtigjarige zo’n vijfenzestig opstellen zijn gebundeld, die de afgelopen vijftig jaar her en der zijn verschenen. Brands heeft namelijk wel het nodige geschreven, maar van hem zijn geen ‘grote werken’ in omloop. Voor een leerling/assistent van de beroemde historici Romein en Presser – hij volgde in 1970 de eerste op als hoogleraar aan de Amsterdamse universiteit – is dit een opmerkelijk gegeven.

Brands zegt daar via een omweg zelf iets over. Zo merkt hij in een respectvol stuk over de vergeten Duitse historicus Walter Goetz op dat deze niet tot het schrijven van grotere werken is gekomen. Voor Goetz vormden het artikel, de inleiding en het kritisch commentaar meer geëigende vormen: ‘Tijdgebrek, een brede spreiding van zijn belangstelling over een groot aantal uiteenlopende onderwerpen, maar ook misschien een zekere innerlijke onrust kunnen hiervan de oorzaak geweest zijn.’

Ideologisch instrument

Die onrust, die Brands inderdaad niet vreemd is, zal door zijn leeropdracht nog zijn versterkt. Hij volgde Romein op in de ‘theoretische geschiedenis’, dus niet in het bestuderen van bepaalde thema’s of tijdvakken, maar in het ontdekken en blootleggen van historische ‘wetmatigheden’ of ‘algemene patronen’. Daarmee zou geschiedschrijving ook voorspellende waarde krijgen, zij het dat Romein niet de pretentie had zijn geschiedschrijving op een specifiek einddoel te laten uitlopen (‘historicisme’). Deze hang naar het ontdekken van structuur in het menselijk handelen vormde in de jaren ’40-’50 voor de sociale wetenschappen toch al een soort obsessie en gaf in de jaren daarna mede door de herontdekking van Hegel en Marx ook de ‘systematische’ geschiedschrijving een krachtige impuls.

Dit alles heeft de historiografie niet alleen kwaad gedaan. Veel wetmatigheden zijn er niet uit voortgekomen, maar de hang naar het schrijven van grote, omvattende ‘geschiedenissen’ (in plaats van detaillistische vertogen), ook met gebruikmaking van sociaal-economische en culturele invalshoeken, heeft het vak en het bredere publiek zeker verrijkt. Tegelijk werd in dit proces geschiedenis zowel misbruikt als veronachtzaamd. Misbruikt omdat zij vaak in dienst van (vaak linkse) politieke visies of maatschappelijke doeleinden werd gesteld, veronachtzaamd omdat zij niet in haar ‘eigen waarde’ werd gelaten. De geschiedenis verwerd aldus snel tot ideologisch instrument.

Dit moet Brands een gruwel zijn geweest. Hij heeft zich steeds gevoelig getoond voor het gebruik dat van de geschiedswetenschap wordt gemaakt. Zo keerde hij zich in zijn proefschrift uit 1965 (Historisme als ideologie) vooral tegen het anti-normatieve in het werk van de beroemde Duitse historicus Friedrich Meinecke, die daarmee paradoxaal genoeg de weg naar Hitlers nazisme had helpen plaveien. Geschiedschrijving kon zich niet aan enig kritisch-normatief beoordelingskader onttrekken, aldus Brands. Hiermee was hij Romein nog wel getrouw, maar toen in Nederland en de westerse wereld als geheel de ‘kritische theorie’ zich breed maakte en historici ook de geschiedschrijving voor politieke doeleinden gingen inzetten, begon Brands te kantelen. Dit werd hem zowel te kritisch als te normatief.

Vooral het eerste deel van zijn verspreide geschriften, Het arsenaal van de geschiedenis, bevat een aantal interessante opstellen, artikelen en redevoeringen waarin Brands de degens kruist met al te vooringenomen geschiedschrijving die niet in het arsenaal van de geschiedenis paste omdat ze de historische waarheid geweld aandeed.

In de loop van de jaren zeventig verschoof Brands’ werk geleidelijk van perspectief. De vaderlandse discussie was gaandeweg zozeer naar het ‘primaat van de binnenlandse politiek’ verschoven, dat hij zich geroepen voelde daar het ‘primaat van de buitenlandse politiek’ tegenover te stellen. Onbedoeld kwam hij daarmee Meinecke weer tegen, die juist het dwingende belang van de internationale verhoudingen had onderstreept waarin het nieuwe Duitse Rijk vanaf 1871 moest opereren.

Brands wierp zich op de internationale politiek en nam vaak geprononceerde posities in. Niet dat hij zich snel als kampioen van de ene of de andere visie opwierp, maar wel dat hij – gebruikmakend van historische inzichten – waarschuwde voor al te gemakkelijk geponeerde stellingen of naar voren geschoven oplossingen. Daarbij ging het doorgaans over vraagstukken die de Europese veiligheid betroffen – van kernwapens tot mensenrechten en van Ostpolitik tot Sovjetdissidenten. Zijn beroepsmatige ervaring met de Amerikaanse en Duitse historiografie hielpen hem (vooral) Nederlandse politici en andere geëngageerde discussianten bij de les te houden door hen op de tegenstrijdigheden, onbedoelde gevolgen en lastige dilemma’s van de internationale politiek te wijzen. Deze zouden voor de goede bedoelingen van de betrokkenen weinig ruimte laten. Als voorzitter van de Adviesraad Vrede en Veiligheid van de ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie (1985-’90) belandde Brands nu in een nieuwe wereld van het beleidsadvies, die aan de paradoxen, kronkelwegen en dilemma’s van de geschiedenis niet voldoende heeft.

Karrensporenthese

Een aantal van de discussiebijdragen uit zijn ‘politieke’ fase vindt men in de tweede bundel, Karrensporen onder het asfalt. De titel verwijst naar het inzicht van Romein en Brands, dat ondanks zich voordoende breuken bepaalde onderliggende historische continuïteiten opgeld kunnen doen. Vooral inzake de Duitse geschiedenis toont Brands zich daar gevoelig voor.

De ‘karrensporenthese’ komt vreemd genoeg niet met zoveel woorden in deze bundel voor, maar stamt uit Brands’ essay ‘Denkend aan Duitsland’ (1983). Het is het Duitse Probleem in zijn vele schakeringen, dat met Hitlers nederlaag, de Duitse Deling en de Koude Oorlog opgelost leek, maar vanaf 1970 met de ontspanning tussen Oost en West en de nieuwe ‘Ostpolitik’ van Brandt en Schmidt opnieuw relevant en actueel voor hem werd. Die Ostpolitik (door Kohl praktisch ongewijzigd voortgezet), zou volgens hem wel eens op Duitse onberekenbaarheid (een ‘zwerfkei’) in het hart van Europa kunnen uitlopen.

Dit lange essay is in deze bundel niet opgenomen. Wel vindt men een aantal beschouwingen over Duitsland en vooral over de situatie na de Duitse hereniging. Hierin veel vreugde over het vreedzame wonder van 1989/’90, maar ook weer zorg over de erna ontstane ‘ongeordende’, ‘verwarrende’ situatie, zowel in Europa als in de wereld. Dit valt in deze bundels sowieso op: Brands hecht aan orde en houdt bij het ontbreken ervan zijn hart vast. Minder als het om Amerika gaat, des te meer wanneer het Europa betreft. De dingen beheersbaar houden is voor hem de hoogste staatsmanskunst, iets wat hij vooral in de Duitse kanseliers Adenauer, Kohl en ook Merkel bewondert. Dat dit beheersbaar houden niet het inzetten van grootse veranderingen hoeft te weerspreken, is opnieuw een van die paradoxen van de geschiedenis.

Kasplantje

De situatie na 1990 brengt Brands als vanzelf bij het thema Europese integratie. Daarover toont hij gemengde gevoelens. Enerzijds doet het hem deugd dat Europa zichzelf na de 1945 een permanente oefening in verzoening en samenwerking heeft opgelegd, want in 1919 had ‘Versailles’ geleerd hoe het niet moest. Karrensporen onder het asfalt gaat uitvoerig op die les in. Anderzijds draait zijn hart van historicus steeds weer om bij het aangezicht van zo’n ‘ahistorische’ exercitie in Europese maakbaarheid, die toch niet anders dan op de ongerijmdheden van de geschiedenis kan stranden?

De uitkomst van Brands’ innerlijke worsteling is veel zorg om het ‘kasplantje’ Europa, dat niet met te veel taken moet worden opgezadeld, maar van hem tegelijk een grote rol krijgt toegedeeld bij de herordening van Europa na 1990. In het bijzonder geldt dit laatste voor de verweesde ex-communistische landen van Oost- en Midden-Europa. Die moeten Europees worden ingebed, ook al wijst hij bij herhaling op de gevaren voor de EU van de onverwerkte grensgeschillen en nationalistische complexen in dit deel van ons continent.

Het Verdrag van Maastricht (1992) is Brands dan ook enerzijds te ambitieus (euro; buitenlandse politiek) en anderzijds meteen achterhaald, want het maakte de EU niet klaar voor haar continentale ordenende taken. In latere artikelen toont hij zich weer ingenomen met de pacificerende effecten van de EU-uitbreiding op die regio.

Brands’ stukken over Europa bevatten geregeld scherpe inzichten, maar geven de lezer soms ook het gevoel dat ze niet af zijn. Dit wordt sterker naarmate we het heden naderen. Maar elders zegt Brands dan ook dat het zo moeilijk is ‘je eigen tijdgenoot te zijn’. Bovendien is Europa ook niet af.

Brands heeft ons een mooi geschenk voor zijn tachtigste verjaardag bezorgd. Bijna 800 bladzijden aan doorgaans interessante stukken, in het bijzonder over historiografische onderwerpen, zoals over ‘ras’ en ‘slavernij’ als historische categorieën. Daarnaast maken ook de schetsen van Nederlandse en andere historici indruk. Vooral de bijdragen over Romein en Presser, maar ook over Nipperdey, Osterhammel en zelfs Haffner en Kissinger zijn waarderend geschreven. Olifanten kunnen niet alleen stampen en trompetteren, maar ook met hun slurf liefdevol omarmen.