Het is vrijdag. Laten we vrij nemen en nadenken!

Een chirurg denkt na in het bos. foto corbis

‘Geneeskunde? Die veredelde hbo-opleiding? Over een paar jaar zegt de Google dokter toch gewoon wat ik heb?” Tevreden hef ik mijn glas. De gemiddelde vrijdagavond en een paar bier maken immer goedbedoelde eerlijkheid in mijn vrienden los.

Maar misschien is het toch meer dan borrelpraat. Als arts-assistent betrap ik mezelf er regelmatig op medicijnen voor te schrijven waarvan ik niet precies weet hoe ze werken. Is dit kwalijk? Moet je kunnen uitleggen hoe een auto werkt om erin te mogen rijden? Of is het gebruik van complexe technologie dusdanig ingebed in onze samenleving dat je mag vertrouwen op de expertise van een ander? Een maand geleden deed ik een oproep tot het gebruik van meer technologie in het ziekenhuis. Maar technologische innovatie, wat is dat dan eigenlijk?

Het loont soms om te kijken naar het verleden om oplossingen te vinden voor de vragen van vandaag. Thomas Lewis, arts en onderzoeker, schreef in de jaren 70 wekelijks essays in The New England Journal of Medicine, een zeer gerespecteerd tijdschrift onder witte jassen. In het stuk ‘The technology of medicine’ analyseert hij de invloed van technologie in de geneeskunde. In zijn betoog verdeelt Lewis de technologische invloed in de geneeskunde onder in drie verschillende niveaus.

Allereerst het niveau van de nontechnologie. Dat is de kant van de geneeskunde die draait om geruststelling en troost bij gebrek aan effectieve technologie. Het was vroeger de hand op de schouder bij een verstoten patiënt met tuberculose, difterie of syfilis. Het is tegenwoordig het dagelijkse gesprek dat we voeren met patiënten die lijden aan bepaalde vormen van kanker, multiple sclerose of andere aandoeningen waarvan we het precieze werkingsmechanisme nog niet begrijpen.

Hartklep van een varken

Lewis noemt het misschien wel het belangrijkste maar tevens ook het meest onmeetbare aspect van de geneeskunde; niet aan te leren in de collegebanken en tot op heden ook niet te vervangen door computers. Het is het element waarvan ik dagelijks als arts besef dat het van wezenlijk belang is, maar tegelijkertijd ook een sluier is van mooie woorden die het voor patiënten haast onmogelijk maakt de zachte van de goede heelmeesters te onderscheiden.

Het tweede niveau is dat van de semitechnologie. Hiertoe behoren de ontwikkelingen die ons in staat stellen aangedane delen van het lichaam te ondersteunen en de dood uit te stellen. Het is de meest glorieuze kant van de technologie: de berichten op het journaal dat onderzoeksgroepen erin geslaagd zijn een nier in 3D te printen, de wachttijd op de eerste hulp te halveren of een hartklep van een varken te gebruiken voor een mens.

Tegelijkertijd stelt Lewis dat deze vorm van technologie niet meer is dan een tijdelijke overwinning. Noodzakelijk, maar op de lange termijn duur en gering in resultaat omdat ze slechts een symptoom maar niet de oorzaak oplost. Het is vergelijkbaar met een extra spitsstrook: een jaar lang minder files, maar eigenlijk schieten we er weinig mee op.

De enige duurzame en echte oplossing is volgens Lewis het laatste niveau van technologie: de verborgen technologie. Vaak zo vanzelfsprekend dat ze onzichtbaar is geworden, maar tegelijkertijd ook de meest waardevolle omdat ze uitgaat van de basis van het probleem: het mechanisme van de ziekte, kennis als resultaat van basaal onderzoek.

Lewis noemt hierbij als voorbeeld de uitvinding van vaccins tegen difterie en polio. De enorme besparing van kosten en het leed van een patiënt met polio (gemiddeld 50 dagen ziekenhuisopname met dagelijks bloedafnames, intensieve zorg, et cetera) zijn zeer groot. Wie investeert in wetenschappelijk onderzoek moet zich voortdurend de vraag stellen of hij wil innoveren in symptoombestrijding (bijvoorbeeld speciale bedden tegen spiercontracturen) of op zoek wil gaan naar de werkelijke oorzaak.

Homo universalis of specialist?

Het is vanzelfsprekend dat de bovenstaande vormen van technologie niet anders dan naast elkaar kunnen bestaan. Beleidsmakers en andere betrokkenen in de zorg trachten de gelden zo goed mogelijk te verdelen over de dagelijkse zorg (nontechnologie), het verbeteren van de huidige kliniek (semi-technologie) en het uitvoeren van basaal wetenschappelijk onderzoek (verborgen technologie). Maar in tijden van efficiëntie en diagnose-behandelcombinaties (DBC’s) die met name gericht zijn op productie, lijkt er voor de arts weinig ruimte over te blijven voor het laatste. Zoeken naar een vaccin voor bepaalde vormen van kanker is in onze tijd wellicht even onwaarschijnlijk als een antibioticum vinden voor een longontsteking enkele decennia geleden.

Met een volle wachtzaal vol gekneusde enkels, pijnlijke buiken en gebroken heupen is er weinig tijd voor de meest basale vragen. We dotteren dichtgeslibde hartvaten, amputeren voeten bij mensen met ernstige suikerziekte en bespreken de volgende kuur chemotherapie, volgens protocol. En misschien hebben mijn vrienden in de kroeg gelijk. Misschien moet ik accepteren dat ik rijd in een auto zonder dat ik precies weet hoe deze werkt en hunkeren Lewis en ik naar een utopische ‘homo universalis’-achtige arts die tegelijkertijd onderzoeker, chirurg en psycholoog is – terwijl in de moderne tijd slechts ruimte is voor specialisten die opgeleid zijn tot één tak van sport. Toch meen ik dat Lewis moderner was dan hij nu lijkt.

De meest succesvolle bedrijven vandaag de dag lijken hun werknemers tijd te geven om enige afstand te nemen van hun productiemodus. ‘Google Friday’, een dag waarop de werknemers van Google wel op hun werk aanwezig zijn, maar niet bezig hoeven te zijn met productie, leidt tot de meest innovatieve en bijgevolg winstgevende ideeën.

Wat zou er gebeuren als zorgverleners één dag per week ‘vrij’ kregen om te kijken naar de zorgprocessen in hun eigen ziekenhuis, in dialoog met patiënten/bestuurders/verzekeraars de gang van zaken vanuit een ander perspectief te bekijken, een onderzoekshypothese uit te werken om zo uiteindelijk kosten en tijd te besparen? En wie weet, als het werkt, hebben we wekelijks een landelijke ‘Google Friday’ en worden we zomaar weer een kennisland. Proost.