Column

Het gaat natuurlijk om geld

Vandaag bespreekt de ministerraad het voorstel van staatssecretaris Jette Klijnsma (PvdA) van Sociale Zaken om een taaltoets in te voeren voor mensen in de bijstand. Als zij haar zin krijgt, moet iedereen die een uitkering wil, Nederlands spreken. Wie geen Nederlands leert en geen diploma haalt, verliest het recht op een uitkering. De eis geldt voor iedereen: voor Nederlanders, inwoners van de Europese Unie en voor immigranten van daarbuiten.

De officiële doelstelling is uiteraard om de integratie van buitenlanders te bevorderen en de kans op het vinden van een baan te vergroten. In zoverre zou je het ook als een nobele maatregel kunnen interpreteren, te vergelijken met het aanbieden van cursussen en het faciliteren van bijscholing. Het zou in zekere zin zelfs kunnen worden opgevat als een gebaar van gastvrijheid. Buitenlanders vinden het moeilijk om onze taal te leren, want zodra een Nederlander ook maar een zweem van een accent vermoedt bij zijn gesprekspartner, schakelt hij onmiddellijk over op het Engels. Deze wet zegt dat dat afgelopen moet zijn. We willen graag dat buitenlanders bij ons horen en gunnen hun het recht om Nederlands te leren.

Maar we begrijpen onmiddellijk welke ware motieven er achter deze nobele doelstellingen schuilgaan. De wet is natuurlijk niet bedoeld voor Chinese promovendi, Italiaanse obers of Indische oogartsen. Die vragen ook niet zo snel een uitkering aan. De wet is bedoeld als een drempel voor allochtonen en gespuis uit Oost-Europa. De wet is niet bedoeld om integratie te bevorderen, maar om hen uit te sluiten. Wanneer de gastheer eisen stelt aan zijn gasten, is dat geen gastvrijheid meer, maar ballotage.

De wet doet denken aan het voorstel dat Rita Verdonk ooit deed, toen ze nog minister was, om het te verbieden dat mensen op straat een andere taal zouden spreken dan Nederlands. Want van al die enge buitenlandse talen kregen gewone, hardwerkende Nederlanders, zoals ze zelf toelichtte met een oer-Hollandse uitdrukking, een unheimisch gevoel. Dat voorstel werd destijds nog zo extreem rechts gevonden dat het geen schijn van kans maakte. Nu wordt iets vergelijkbaars voorgesteld door een bewindsvrouwe van de PvdA.

Het meest hypocriete aan dit voorstel is dat we het tegelijkertijd hip en modern vinden om aan onze universiteiten college te geven in het Engels en het Nederlands zo ongeveer af te schaffen. Voor uitkeringstrekkers gelden kennelijk andere wetten dan voor hoger opgeleiden.

Maar het gaat natuurlijk allemaal om geld. Als we miljoenen kunnen binnenharken door het voor buitenlanders zo makkelijk mogelijk te maken om hier te komen studeren, dan schaffen we daar graag onze eigen taal voor af, maar als we miljoenen kunnen besparen op uitkeringen aan buitenlanders, dan stellen we haar verplicht.