Herinneringen aan Duitsland zonder wrok en sentiment

Nederlandse historici van naam zouden vaker hun memoires moeten schrijven. Dat kwam in me op na lezing van Voordat de voegen kraakten van de emeritus-hoogleraar H.W. von der Dunk.

In 2008 verscheen zijn Terugblik bij strijklicht. Hierin beschreef hij de geschiedenis van de twee Duitse families waar hij uit stamt; Von der Dunks vader kwam uit de katholieke kleine middenstand, zijn moeder uit een geassimileerd Joods zakenmilieu. Toen die vader onder Hitler vanwege zijn Joodse vrouw geen baan kon krijgen, vluchtte het gezin in 1937 naar Nederland. In Bilthoven overleefden ze de bezetting zonder te hoeven onderduiken. Von der Dunk beschrijft het nuchter en bijna onaangedaan, waardoor je een van sentiment ontdaan beeld van die jaren krijgt. Daarnaast wijdt hij aandacht aan zijn leerjaren op de Werkplaats, de school van onderwijshervormer Kees Boeke, waar zijn vader leraar was.

Voordat de voegen kraakten is het vervolg op die periode. Het is al evenzeer de moeite waard, al was het maar omdat het indirect laat zien wat er op de huidige universiteiten dankzij het tegenwoordige efficiency-denken op het gebied van de humaniora verloren is gegaan.

Von der Dunk (1928) heeft in dit deel van zijn herinneringen het lyceum afgerond en studeert geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. De universiteit is in die dagen nog een standenmaatschappij, een mannenwereld die Von der Dunk scherp en met humor weet te beschrijven. Uit principe wordt hij geen lid van het studentencorps, dat hij omschrijft als de broedplaats van ‘een speciaal ras dat elkaar onder alle omstandigheden ruikt als honden’. Van eindeloos nachtelijk ouwehoeren in cafés moet hij evenmin iets hebben. Wel gaat hij, als amateurpianist, bij het Utrechts Studenten Koor en Orkest (USKO). Even overweegt hij zelfs om professioneel zanger te worden. Maar als hij te horen krijgt dat hij niet over genoeg talent beschikt, blijft hij waar hij is.

Von der Dunks beschrijvingen van zijn excentrieke docenten (Pieter Geyl, Jappe Alberts en J.C. Boogman voorop) zijn zeer vermakelijk. Hoogleraren zaten in die jaren vooral thuis en ontvingen bij de thee, wat bij Van der Dunk soms Het Bureau-achtige taferelen oplevert.

Interessant zijn ook de verslagen van familiebezoeken in Duitsland, begin jaren vijftig. Von der Dunks ouders, die het leven als een ‘wonder en een avontuur’ zagen, leden niet aan wrok jegens hun voormalige landgenoten. Dankzij die overgeërfde houding beschrijft Von der Dunk heel indringend het ongemakkelijke zwijgen van veel gewone Duitsers over de nazitijd.

Boeiend is ook zijn verslag van zijn verblijf op de universiteit van Mainz. Een beter inzicht in het verwrongen dagelijks leven in de naoorlogse Duitse academische wereld, heb ik niet eerder gelezen. Het doet me nu al verlangen naar een derde deel van Von der Dunks herinneringen.