Een seksbeluste oorlogshitser

Op 5 mei 1915 keerde Gabriele d’Annunzio, de populairste Italiaanse schrijver van dat moment, terug naar zijn geboorteland. Hij was vijf jaar eerder naar Parijs gevlucht, om schuldeisers en ex-minnaressen te ontlopen. D’Annunzio was een van de rijkste mensen van Italië, toch leefde hij boven zijn stand. Hij verbraste zijn geld aan zijden maatpakken, parfums, villa’s, hotels en tientallen hazewindhonden. Hij had lang gewacht op het geschikte moment om terug te komen. Italië verkeerde in crisis in het voorjaar van 1915. De politiek was verdeeld over de vraag of het land mee moest vechten in de oorlog. De Italiaanse regering had in het geheim al een overeenkomst met de geallieerden gesloten, maar in de samenleving bestond er grote weerstand tegen deelname.

Niet bij D’Annunzio. Die droomde al jong van machtige veldslagen en grootse heldhaftigheid, een overweldigende golf van geweld die de wereld van laagheid en lelijkheid zou zuiveren. Tijdens overvloedige diners had hij, in wit pak, toosten uitgebracht ‘op de rozen die uit het bloed zullen bloeien’. Dat soort beeldspraak was vrij standaard voor de decadente dichters van het fin de siècle, de literaire stroming die zich verlustigde in ondergangsfantasieën en seksueel beladen spiritualiteit. Er lijkt geen groter contrast denkbaar tussen de hypersensitieve dandy’s en de modderige loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Toch werd Gabriele d’Annunzio (1863-1938), de meest elitaire dandy van allemaal, de grote Italiaanse volksheld. D’Annunzio had met zijn terugkeer gewacht tot het juiste moment, toen interventie van Italië praktisch onvermijdelijk was geworden. Hij had zijn aankomst ruim van tevoren aan de media aangekondigd. Toen hij met de trein Italië binnenreed stonden de perrons vol. Aan de zeeoever vlakbij Genua, op de rotsen van Quarto, kwamen tienduizenden mensen bijeen om hem te horen spreken. En spreken deed hij, met de verleidingskunst die hem de minnaar van duizenden vrouwen had gemaakt, en de religieuze beeldspraak die zo herkenbaar was voor het land dat de bakermat was van de katholieke kerk: ‘Zalig zijn de jongeren die hongeren naar glorie, want zij zullen bevredigd worden. Zalig zijn de barmhartigen, want zij zullen een schitterende stroom van bloed te stelpen hebben, en een wonderschone wond te verbinden. […] Zalig zijn zij die triomferend zullen wederkeren, want zij zullen het nieuwe aangezicht van Rome zien.’

Piazza del Popolo

Binnen een week vonden er in de grote steden van Italië nationalistische massademonstraties plaats. De Britse ambassadeur in Rome schatte dat er 200.000 mensen op de Piazza del Popolo stonden. D’Annunzio was naar de hoofdstad afgereisd en schreeuwde om ‘stenigingen en gif’. Hij spoorde de massa’s aan tegenstanders van de oorlog aan te pakken: ‘Formeer patrouilles! Wacht ze op. Overmeester ze! [...] Als er bloed vloeit zal het net zo gezegend zijn als het bloed dat vloeit in de loopgraven.’

Gabriele d’Annunzio is niet de sympathiekste figuur om een biografie over te schrijven. Toch lukt het de Britse cultuurhistorica Lucy Hughes-Hallett om een zeer vermakelijk, soms schokkend, en zelfs inlevend portret van deze seksbeluste oorlogshitser te maken. Op onderkoelde toon beschrijft ze hoe de verwende burgemeesterszoon uit de Abruzzen opgroeide in een huishouden vol vrouwen die hem als prinsje behandelden, hoe hij als tiener al een neus voor het bespelen van de media had: toen hij zijn eerste dichtbundel publiceerde, verspreidde hij het gerucht dat de schrijver was verongelukt door van een paard te zijn gevallen.

D’Annunzio’s eindeloze erotische escapades worden in detail getoond (hij hield zijn veroveringen in kleine notitieboekjes bij), met de nodige empathie voor de vrouwen die slachtoffer van zijn zoete leugens werden, maar vooral vanuit de fascinatie hoe het hem toch lukte om ze in te palmen. Dat is een relevante vraag, want het is precies diezelfde kunst van het verleiden die hem een stempel op de loop van de geschiedenis deed drukken, als oorlogspropagandist en als extravagante dictator van de havenstad Fiume, die in 1919 met een militaire coup door gefrustreerde Italiaanse veteranen werd overmeesterd. D’Annunzio regeerde er anderhalf jaar lang met geweld, repressie en theater, een combinatie die zijn bewonderaar en latere rivaal Mussolini kopieerde.

Oorlogsheld

Wat Hughes-Ballett bij dit alles niet uit het oog verliest, is dat D’Annunzio daadwerkelijk een oorlogsheld was. Tussen 1915 en 1918 vloog hij als co-piloot in krakkemikkige vliegtuigjes over vijandelijk gebied om letterlijk met eigen handen bommen naar beneden te werpen. Hij raakte zwaar gewond tijdens een crash, liep ernstige oogbeschadiging op, maar klom zodra hij dat kon weer in de cockpit, al liep hij zo het risico om door de luchtdruk zijn volledige zichtvermogen te verliezen. De soldaten en het volk vonden het prachtig. In de chaos na de oorlog was de Italiaanse regering maar voor één potentiële couppleger bang. Als dictator van Fiume had hij lang de publieke opinie aan zijn zijde. Maar Mussolini wist in D’Annunzio’s vaarwater geleidelijk aan draagvlak te winnen en deed alles om hem als geestelijk vader van het fascisme te presenteren, totdat hij zich van zijn grote rivaal kon verlossen.

Verbitterd sleet D’Annunzio zijn laatste dagen in een door de nieuwe staat bekostigde villa vol schitterende kunst, een praalgraf voor de decadente dichter. Zijn levensloop was in alle opzichten larger than life, en dat maakt deze biografie tot meer dan een geschiedenis over één man. Je leest niet alleen een verbijsterend verhaal over één van Europa’s meest extravagante figuren, maar snapt ook een stuk beter hoe het Italiaanse fascisme aan de macht kon komen in 1922.