Dit is holle retoriek

Maria Barnas

De VSB Poëzieprijs is een prestigieuze schouderklop voor Nederlandse dichters. Een vijfkoppige jury kiest de beste bundel van een jaar, en aan die keuze is een aantrekkelijk prijsbedrag verbonden. Een en ander gaat met tromgeroffel gepaard, want de VSB sponsort vooral ook aandacht voor het kwetsbare genre. Jaarlijks worden vijf bundels genomineerd. Dit jaar zijn dat dichtwerken van Maria Barnas, F. van Dixhoorn, Micha Hamel, Miriam Van hee en Antoine de Kom.

Van de genomineerde bundels is alleen Jaja de oerknal van Maria Barnas in deze krant besproken. Dat was een welbewuste keuze. De andere vier hoorden voor NRC-recensenten niet tot de beste of boeiendste bundels uit de selectieperiode (september 2012 – september 2013). Bij Micha Hamel was het voor mij wel twijfelen, maar na herlezing vond ik Bewegend doel toch te breedsprakig, en ook geen vooruitgang in Hamels oeuvre. De overige drie gingen na eerste lezing al terzijde. Van Dixhoorns De zon in de pan biedt het zoveelste bedrijf van een ‘minimal music’-truc, waarop ik na zes voorgaande proeven ben uitgekeken. Zijn uitgever hecht blijkbaar weinig belang aan de nominatie, want de bundel is niet meer leverbaar. Miriam Van hee toont zich in ook daar valt het licht een secuur waarnemer, maar ze was dat eerder in betere bundels. En in Zonder string van Antoine de Kom is de poëzie bedolven onder te veel tropisch gekleurd taalgeweld.

Deze oordelen zijn ingegeven door smaak, maar de VSB-jury ging, lijkt het, systematisch te werk. Het voorlopige rapport biedt een duidelijke blik op wat de drijfveer voor de keuze was. ‘De indruk ontstaat’, aldus de jury, ‘dat de Nederlandstalige poëzie niet kan ontsnappen uit een spanningsveld dat inmiddels anderhalve eeuw oud is: dat tussen de ‘allerindividueelste expressie’ (Kloos) en de ‘kopieerlust des dagelijksen leven’ (Potgieter). Ondanks alle vrijheid van vorm en individuele heftigheid dreigt dat algemeen ingesleten dilemma beperkend te worden. Het gros van de dichters lijkt zich erdoor van de wereld af te keren en zich te verschansen in de cocon van eigen emoties, ervaringen, herinneringen. Nostalgie lijkt een algemene voorkeur te genieten.’

Absolute onzin

De jury bedoelt vast niet dat er niets meer in de poëzie gebeurde sinds Potgieters commentaar op Beets’ Camera obscura (1839) en sinds Kloos’ typering van de kunst na Gorters sensitivistische Verzen (1890). Toch lijkt het alsof de VSB-experts van mening zijn dat het werk van Leopold, Van Ostaijen, Nijhoff en latere dichters geen inspiratiebron is voor hedendaagse collega’s. Dat is natuurlijk absolute onzin. De invloed van Kouwenaar en Kopland bijvoorbeeld is her en der aanwijsbaar. Of is ook dat een gevolg van het ‘nostalgisch effectbejag’ dat de VSB-jury afwijst?

In plaats daarvan kiest de jury ‘voor het engagement, het onderzoek in de poëzie. De moed om radicaal voor taal en niets dan taal te kiezen. En de moed om het werk zo te laten rijpen dat het individuele uitgroeit tot het universele. De moed, kortom om taal taal te laten zijn en toch aan de wereld te appelleren.’

Dit is holle retoriek. Met de sierlijke paradox van de slotzin tracht de schrijver van het juryrapport zijn rederijkerspraat te bezweren, maar overtuigen doet het niet. ‘Engagement’, ‘het universele’ en ‘aan de wereld appelleren’ – dat zijn geen poëtische criteria. Dat zijn termen uit de woordenschat van wereldverbeteraars. En zulke taal past wonderwel bij het politieke streven naar een vermaatschappelijking (of verzakelijking) van de kunst. Om te beginnen heet die voortaan geen ‘kunst’ meer, maar ‘cultuur’. Luister maar naar de nu zittende ministers en kamerleden. De begripsverschuiving lijkt onschuldig, maar is dat allerminst. Cultuur is een gemeenschappelijk erfgoed, kunst is een individuele uiting. Die uiting speelt een rol in de omringende cultuur, maar niet per se een positieve rol. Cultuur is principieel niet kritisch, kunst is dat wel.

Dat een kunstenaar in beginsel buiten de samenleving functioneert, maakt een uitspraak van Yannis Xenakis (1922-2001) duidelijk. 'Als je iets probeert te scheppen, ben je alleen’ zo citeerde Edzard Mik deGriekse componist/architect in een stuk uit 2009 in deze krant. ‘Een vonkje in het oneindige zwart van het universum. Dat is alles. Je bent alleen.’

‘Een houding die zich makkelijk als elitair en onverantwoord laat wegzetten’, zo ging Mik verder. ‘Maar wie zijn muziek hoort, zijn architectuur ziet, weet dat hij gelijk heeft. Er is uiteindelijk geen andere bestaansgrond voor kunst dan voorbij het maatschappelijk gekrakeel het leven in zijn naakte grondvorm en betekenisloosheid weer zichtbaar, hoorbaar en voelbaar te maken.’ Het zijn de woorden van een componist en een schrijver maar elke kunstenaar had ze kunnen uiten. Elk van de vijf VSB-genomineerden zal zich erin herkennen. En ook potentieel nominabele dichters, zoals Jan Baeke, René Huigen, Tomas Lieske en Marjoleine de Vos. Ik mis hun namen in het lijstje, terwijl hun werk niet buiten de ‘normen’ van de jury valt. Bezweringen van Willem van Toorn doet dat wel. Het zou rechtvaardig zijn geweest wanneer deze bundel als topvoorbeeld van de weemoed was genomineerd. Maar voor zo’n daad was de jury te normatief.

Adonis

Wie zitten er in de jury? Om te beginnen de Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb. Hij is zeker een liefhebber van poëzie, maar zijn voorkeur voor de Syrische dichter Adonis verraadt hoe maatschappelijk hij daarin is gericht. Dan twee dichteressen: Saskia de Jong en Hilde Keteleer. Die behartigen het poëziebelang, zou je denken, maar ze vormen een minderheid in de jury. De laatste twee leden zijn academici: Joep Leersen, een hoogleraar die zich richt op de relatie tussen de literaire praktijk en politieke ideologieën, en Jan Rock, een letterkundige die een bekroond proefschrift schreef over de herontdekking van onze oudste dichtwerken en nu onderzoek verricht naar de geschiedenis van niet-digitale systemen van informatiebeheer in de Nederlandse letterkunde.

Mij verbaast het VSB-standpunt niet meer sinds ik weet aan wie de keuze is toevertrouwd. Drie van de vijf juryleden zou ik niet graag als gids in dichtersland willen, maar hun keuze ligt er nu. Wie van de vijf genomineerden mijn voorkeur heeft zal geen raadsel zijn. ‘Na lezing van Jaja de oerknal wordt kijken een nieuwe bezigheid’, schreef ik vorig jaar. Die zin maakt de abstracte academiepraat die het juryrapport aan Barnas’ bundel wijdt overbodig. Maria Barnas doet wat dichters moeten doen: ze kijkt met eigen (individuele) ogen naar leven en wereld, en geeft daar eigen woorden aan. Dat die woorden betrokken, aansprekend en bij tijden universeel overkomen, zal de jury niet zijn ontgaan. Hopelijk volgt daaruit de enig denkbare conclusie, en krijgt Barnas de prijs. En als we dan toch zinvol bezig zijn, zet dan minstens drie vaklui in de volgende jury.