De tien vragen over Syrië die je niet meer durfde te stellen Tien vragen. Kan dat niet in één? Wat is Syrië? Wie is Assad? Hoe begon de onrust? Hoe werd het een oorlog? Wie vechten er nu tegen Assad? Wie wint er? Waarom grijpt de wereld niet in? Wat zijn chemische wapens? En nu?

Een helikopter stort neer vlak nadat die is beschoten door rebellen in Daraya, een zuidelijke voorstad van Damascus. Foto AFP/Hussam Ayash

Goed – een poging om het conflict in één keer uit te leggen. Syrië is een land waar één partij, de Ba’ath-partij, aan de macht is en iedereen die kritiek heeft onderdrukt. De Ba’ath-partij is seculier (niet aan een religie gebonden), maar wordt sinds een machtsgreep in 1970 van Hafez al-Assad, de vader van de huidige president, gedomineerd door alawieten: een shi’itische sekte. Iedereen die kritiek heeft op het Ba’ath-regime, zoals de sunnitische Moslimbroederschap in 1982, wordt hard aangepakt om ze het zwijgen op te leggen.

Dat is in het kort wat je moet weten over Syrië zoals het er eind 2010 voor stond.

Toen begon namelijk ‘de Arabische Lente’. Die begon met de daad van één man. In Tunesië zette een straatverkoper zichzelf in brand uit onvrede met zijn uitzichtloze situatie. Het werd het begin van een protestbeweging in het hele land, en toen zelfs in een groot deel van de regio, overal met als doel de autoritaire leider, die als schuldige voor alle misstanden – armoede, werkloosheid, corruptie, onderdrukking – gezien werd, te verdrijven. Na Tunesië kwam Egypte, toen Jemen, Libië en vanaf half maart ook Syrië.

In Syrië had dat de meest dramatische gevolgen. In Tunesië en Egypte werden de dictators na een paar weken afgezet, maar in Syrië werd het vreedzame protest door het regeringsleger vanaf het begin beantwoord met fors geweld. President Bashar al-Assad was helemaal niet van plan te vertrekken. Zijn leger schoot met scherp op burgers die durfden te demonstreren. Maandenlang kwamen er elke dag mensen om het leven.

Gaandeweg veranderde de aard van de onrust: de vreedzame demonstraties werden gevechten tussen groepen voor en tegen Assad, waarbij beide kanten wapens gebruikten. Naarmate dat voortduurde, werd het steeds meer een sektarische (om het geloof draaiende) oorlog in een land waar die verhoudingen dus al zo scheef waren: sunnitische rebellen verzetten zich tegen de op shi’ieten steunende regering. Die rebellen verdeelden zich weer onderling in een onoverzichtelijke wirwar van groepjes strijders, van gematigd tot extreem-islamitisch. Zo is het vandaag de dag nog steeds.

De belangrijkste bondgenoten van Assad zijn:

Iran, een bondgenoot van Syrië. Die goede band komt voort uit een gedeeld vijandschap tegen Saddam Hussein, die tussen 1979 en 2003 president van Irak was. Iran levert wapens aan het leger van Assad.

Rusland, omdat Syrië sinds de Koude Oorlog al een bondgenoot is. Ook Rusland levert wapens aan het Syrische leger.

Hezbollah, een shi’itische, Libanese beweging die zelfs strijders naar Syrië stuurde om mee te vechten met het leger.

De oppositie is eigenlijk niet als één eenheid aan te wijzen. Er zijn de talloze groepjes die in Syrië vechten tegen Assad, en er is de politieke oppositie, die vanuit het Turkse Istanbul opereert onder de naam Syrische Nationale Coalitie (SNC). De belangrijkste steun voor de oppositie komt van:

Het ‘Westen’, en dan met name de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk. Zij zien in de SNC de officiële vertegenwoordiging van het Syrische volk. Wat ze met de vechtende oppositie moeten, is een stuk ingewikkelder: als ze wapens leveren, vallen die vrijwel zeker in handen van extremistische of terroristische groeperingen.

Turkije, dat als buurland nog goede banden met Syrië onderhield vóór de oorlog. Nu wil Turkije dat Assad het veld ruimt. Turkije bood onderdak aan gedeserteerde soldaten van Assads leger. Istanbul is bovendien, zoals gezegd, de thuisbasis van de politieke oppositie, de Syrische Nationale Coalitie.

Qatar, dat overwegend sunnitisch is. Qatar steunde de rebellen met geld en wapens, vooral in de eerste twee jaar van de oorlog.

Saoedi-Arabië, ook sunnitisch. In de zomer van 2013 meldde persbureau Reuters dat dit land nu de grootste toeleverancier van geld en wapens is voor de vechtende oppositie.

Ondertussen kan ‘de wereld’ niet ingrijpen, omdat de grootmachten (met vooral het ‘Westen’ aan de ene kant en Rusland en China aan de andere) het oneens zijn over de aanpak, en omdat er eigenlijk geen enkele oplossing meer te bedenken is die geen enorm nieuw probleem opwerpt.

Syrië is een land met 21,8 miljoen inwoners (volgens de VN in juli 2013) in het Midden-Oosten. Het grenst in het noorden aan Turkije, in het oosten aan Irak, in het zuiden aan Jordanië en in het westen aan de Middellandse Zee, Libanon en Israël. Syrië heeft een oppervlakte van ongeveer 185.000 vierkante kilometer en is daarmee ongeveer 4,5 keer zo groot als Nederland. Het is een stuk minder dichtbevolkt: er wonen gemiddeld 117 mensen per vierkante kilometer, in Nederland 495.

Het is, om de situatie in Syrië te begrijpen, belangrijk dat je weet dat bijna alles zich afspeelt in een strook van zeven steden* in het westen van het land. Van noord naar zuid zijn dat: Aleppo, Latakia, Tartus, Hama, Homs, Damascus en Deraa. Dat zijn de vijf grootste steden van het land, plus de havenstad waar Rusland een marinebasis heeft (Tartus) en de uiterst zuidelijke stad waar het allemaal begon (Deraa).

De landsgrenzen van Syrië zoals we die vandaag kennen, werden in 1920 getrokken nadat Frankrijk en Engeland in de Eerste Wereldoorlog (gesteund door Arabische opstandelingen) het gebied hadden veroverd op de Ottomanen, die het land daarvoor 400 jaar in handen hadden. Dat er door de Europese grootmachten min of meer willekeurig grenzen werden getrokken, zorgde ervoor dat verschillende religieuze en etnische groeperingen plotseling landgenoten waren, ook al hadden ze vrijwel niets met elkaar gemeen. Frankrijk bleef in Syrië tot 1946, waarna het land, divers als het was, onafhankelijk werd.

De verschillen tussen bevolkingsgroepen spelen een heel grote rol in de burgeroorlog. Dit is ongeveer de verdeling (volgens een rapport uit 2006): 74 procent sunnieten, 13 procent shi’ieten (met de alawieten veruit als belangrijkste subgroep), 10 procent christenen en 3 procent druzen.

De christenen wonen vooral in de twee grootste steden, Aleppo en Damascus. De shi’ieten, en dus ook de alawieten, wonen merendeels in het gouvernement (een soort provincie) Latakia, aan de westkust. Sunnieten wonen door het hele land.

Vooral de verhouding tussen sunnieten en shi’ieten* is belangrijk. Het verschil en de onderlinge haat tussen deze twee groepen verscheurt tot op de dag van vandaag de islamitische wereld. En het speelt ook in de Syrische burgeroorlog (en in de rest van deze uitleg) een grote rol.

Bashar al-Assad is de 49 jaar oude president van Syrië. Hij werd in september 1965 geboren als tweede zoon van Hafez al-Assad, die toen president was. Bashar was niet zo geïnteresseerd in politiek, maar dat gaf niet: zijn oudere broer Bassal was de beoogde opvolger van hun vader. Bashar ging dus geneeskunde studeren en werkte daarna een aantal jaren als arts in een legerziekenhuis, waarna hij in 1992 naar Londen verhuisde voor een specialisatie: hij wilde oogarts worden. De toekomst die hij voor zichzelf zag, werd echter abrupt een halt toegezegd toen Bassal bij een auto-ongeluk in 1994 om het leven kwam. Nu was Bashar plotseling de oudste zoon van de president van Syrië. Hij keerde terug om zich op zijn aanstaande positie voor te bereiden. In 2000 overleed Hafez en werd Bashar president.

Maar dat was misschien niet het antwoord waar je op hoopte. Want eigenlijk is de vraag: wie is die man die verantwoordelijk is voor zo veel doden onder zijn eigen bevolking, en waarom doet hij dat?

Bij de vorige vraag schreven we al dat sunnieten ruim in de meerderheid zijn in Syrië. Driekwart van de Syriërs is sunnitisch. Ze bepalen de religieuze toon, wonen door het hele land en zijn in alle lagen van de bevolking te vinden. En tóch is er een familie van alawieten/shi’ieten aan de macht, omdat Bashars vader Hafez in 1971 een staatsgreep pleegde en Syrië uitriep tot een militaire dictatuur onder leiding van zijn seculiere Ba’ath-partij. Hij benoemde zichzelf voor het leven tot staatshoofd. Anderen hadden maar te gehoorzamen. Deden ze dat niet, dan gebruikte Hafez bruut geweld. In 1982, in Hama, was er een gewapende opstand van de sunnitische Moslimbroederschap. Hafez reageerde met artillerie en bulldozers. Niemand weet hoeveel mensen daarbij stierven, maar volgens mensenrechtenorganisaties waren het er tien- tot dertigduizend.

Dat land erfde Bashar dus toen zijn vader in 2000 stierf. Aan hem één taak: aan de macht blijven, desnoods ten koste van alles.

Veel gebeurde er lange tijd niet. Tot begin 2011. Syrië had toen veel problemen die ook in andere Arabische landen bestonden: een zeer jonge bevolking, een hoge (jeugd)werkloosheid, corruptie en een autoritair bewind. In vergelijking met Egypte en Tunesië was Syrië zelfs nog strenger: oppositiegroepen starten was onmogelijk en de geheime diensten hielden elke vorm van verzet nauwlettend in de gaten, om het wanneer nodig meteen de kop in te kunnen drukken. Allemaal, dus, om de macht te beschermen. En daar is Assad nu nog steeds mee bezig.

Je herinnert je waarschijnlijk wel dat er begin 2011 veel gesproken werd over ‘de Arabische Lente’. Daarmee werd bedoeld dat in meerdere Arabische landen (met Tunesië, Egypte en Libië als belangrijkste) mensen de straat op gingen. Ze deden dat uit protest tegen de hoge (jeugd)werkloosheid, de hoge voedselprijzen, de corruptie, de schending van mensenrechten en de onderdrukking door een autoritair bewind. Media begonnen de opstand ‘de Arabische Lente’ te noemen, omdat het volk iets deed wat voorheen ondenkbaar was: zich massaal verzetten tegen de eigen dictator. Sterker nog: het had effect.

Het begon in december 2010 in Tunesië, gevolgd door Egypte (half februari 2011) en Libië (idem). Syrië bleef relatief lang achter, omdat protesteren daar nog gevaarlijker was dan in de eerder genoemde landen. Niemand was vergeten wat Hafez al-Assad, de vader van Bashar, in 1982 aanrichtte in Hama (zie vraag 2). Op Facebook werd in februari 2011 wel opgeroepen tot twee ‘dagen van woede’ in Syrië, maar daar kwam uit angst voor hard optreden van Assads agenten vrijwel niemand op af.

In maart 2011 gebeurde er iets waardoor het protest toch op gang kwam. In de uiterst zuidelijke stad Deraa ging een groep van vijftien jongens, tussen de 10 en 15 jaar oud, ’s nachts de stad door om leuzen op gebouwen te schrijven. Inmiddels waren de presidenten van Tunesië en Egypte al opgestapt na de massale protesten in hun land. De jongens schreven ‘Nu is het jouw beurt, dokter’, verwijzend naar Assad, die voor hij president werd geneeskunde studeerde.

De jongens werden de volgende dag opgepakt. Enkele dagen later werden ze weer vrijgelaten, maar het was overduidelijk dat ze tijdens hun gevangenschap flink mishandeld waren.

Het was de vlam in de pan. Op 18 maart 2011, een dag na de arrestatie van de jongens, gingen duizenden moslims in Deraa na het vrijdaggebed de straat op om te eisen dat de jongens weer werden vrijgelaten. Die dag begon in feite de Syrische oorlog: agenten in burger gebruikten waterkanonnen, traangas en zelfs geweervuur als verweer tegen het protest. Er kwamen vier mensen om het leven.

Dat er mensen werden gedood door Assads veiligheidstroepen, weerhield de bevolking er niet van opnieuw te gaan protesteren. Sterker nog: nu was het hek van de dam. De opstand sloeg over naar andere steden in het zuiden van het land, inclusief buitenwijken van de hoofdstad Damascus. Het waren meestal ‘gewone’ mannen, vrouwen en kinderen die de straat op gingen. Elke dag weer. In veel gevallen droegen ze olijftakken, een symbool voor vrede. Ze wilden uitdragen: wij verzetten ons met vreedzaam protest tegen onze regering.

In steeds meer steden gingen mensen protesteren. De mensenmassa in Deraa kreeg vooral navolging in Hama (waar de opstand in 1982 ook was geweest) en Homs, twee middelgrote steden in het midden van het land.

Het regeringsleger, dat de opstand in de knop wilde breken, reageerde met harde maatregelen. Wat er precies gebeurde was vaak onduidelijk, omdat buitenlandse journalisten niet welkom waren en goede foto’s of onafhankelijke ooggetuigenverklaringen ontbraken. Maar er kwamen via oppositiegroepen en mensenrechtenorganisaties dagelijks berichten naar buiten over nieuwe doden bij demonstraties.

Dat ging maandenlang zo door: overal in het land gingen Syriërs de straat op en dat liep gierend uit de hand omdat Assad, net als zijn vader, elke vorm van protest beantwoordde met exorbitant geweld.

Vanzelfsprekend veranderde daardoor de aard van de protesten. De burgers die uit vreedzaam protest met olijftakken of spandoeken de straat op gingen, maakten plaats voor groepen jongemannen die zelf ook de wapens oppakten, om terug te kunnen vechten. In de media ging het steeds minder over ‘demonstranten’ en steeds meer over ‘opstandelingen’ of ‘rebellen’. Daarmee bedoelden ze de groep die nu dagelijks tegen het leger van Assad vocht. Demonstraties waren vuurgevechten geworden.

Gaandeweg werd het dus een gewapend conflict: het regeringsleger tegen een samenraapsel van iedereen die Assad weg wilde hebben en bereid was daarvoor te vechten. Jonge mannen vanuit de bevolking, militairen die overliepen, maar ook groepen die de burgeroorlog zagen als een ‘jihad’: een strijd uit naam van de islam tegen ongelovigen, vanuit het ideaal dat de wereld één grote moslimgemeenschap zou moeten zijn en de islamitische wetgeving, de sharia, zou moeten volgen. Er waren jihadistische groepen van buiten Syrië die zich daarom aansloten bij de strijd tegen Assad (wiens Ba’ath-partij zich dus niet aan het geloof en de sharia committeert), maar ook individuele ‘jihadistische’ jongeren die naar Syrië gingen om mee te vechten (waaronder een aantal Nederlanders*). Zo verschoven de motieven en werd de strijd onoverzichtelijker.

In de herfst van 2011 leek iedereen die Assad weg wilde hebben en het beste met Syrië voorhad, zich nog te verenigen in wat vanaf toen het Vrije Syrische Leger (ook wel FSA, Free Syrian Army) heette, opgericht door een overgelopen kolonel. Het Vrije Syrische Leger (50.000 strijders volgens een schatting uit mei 2013) deed dat om Syrië te ‘bevrijden’ van Assads harde regime. Het droeg uit te strijden uit naam van de demonstranten die vanaf maart 2011 de straat op waren gegaan.

Maar zo is het nu niet meer.

In de afgelopen twee jaar is er veel veranderd. Strijders van het Vrije Syrische Leger werden gedood door het zware geschut dat Assad inzette, of juist verdreven door een moslimextremistische groepering, waarvan er steeds meer kwamen. Het Westen kon het VSL niet bewapenen, omdat die wapens onherroepelijk in handen van extremisten zouden vallen.

Het zijn dus steeds meer groepen met een streng-islamitische, jihadistische opvatting die tegen Assad vechten. De grootste rebellenalliantie is het Islamitisch Front (met naar schatting 45.000 strijders), dat bestaat uit zeven rebellengroepen die de handen ineen hebben geslagen. Twee aan de terroristische organisatie Al-Qaeda gelieerde groepen vechten apart: Al Nusra (schatting uit mei 2013: 6.000 strijders) en ISIS (Islamitische Staat in Irak en de Levant, naar schatting meer dan 10.000 strijders in Syrië en Irak).

Maar de samenstelling van die groepen en allianties verandert voortdurend. Beweringen over hoeveel strijders er per groep zijn, zijn niet of nauwelijks te controleren. Groepen heffen zichzelf op, beginnen onder een andere naam of sluiten zich aan bij een alliantie. Het is niet bij te houden. Belangrijk is daarom de bottom line: dat de strijd in Syrië nu vooral een strijd is tussen het regeringsleger en de Libanese Hezbollah (beide shi’itisch) aan de ene kant en zo’n duizend verschillende rebellengroeperingen (veelal sunnieten) aan de andere kant. In totaal zijn er zo’n 100.000 mensen die aan de strijd tegen Assad deelnemen. Volgens een rapport uit september 2013 doet ongeveer de helft van de ‘rebellen’ het uit streng-islamitische, jihadistische motieven.

Inmiddels vechten de gematigde en geharde groepen bovendien onderling ook met elkaar. In januari 2014 verklaarde ISIS de oorlog aan alle groepen die niet dezelfde doelstellingen nastreven. Er werd toen in onder meer Aleppo ook onderling gevochten tussen ISIS en het Islamitisch Front.

De strijd is, kortom, geradicaliseerd en wordt meer en meer gevoerd vanuit religieuze motieven, in plaats van uit burgerlijke ontevredenheid over werkloosheid en onderdrukking.

Niemand. Er wint niemand. De burgeroorlog heeft het land compleet verscheurd. Overal zijn straten onherkenbaar verwoest. De VN zei in juli 2013 dat er bij de burgeroorlog 100.000 doden gevallen waren en is inmiddels, vanwege het ontbreken van voldoende bronnen, gestopt met tellen. Het kunnen er dus ook al 150.000 of 200.000 zijn. En volgens internationale vluchtelingenorganisatie UNHCR zijn er inmiddels 2,3 miljoen Syriërs naar het buitenland gevlucht.

Dat zijn enorme getallen. Ter illustratie: één miljoen van hen zijn naar Libanon gegaan, dat zelf vier miljoen inwoners heeft. Stel je voor dat er oorlog is in België en dat vier miljoen Belgen de grens oversteken om zich bij de 16 miljoen Nederlanders te voegen.

Maar als je bedoelt wie er aan de winnende hand is: volgens The New York Times in juli 2013 hadden de rebellen toen zo’n 70 procent van het land in handen, maar slechts 40 procent van de bevolkte gebieden. De rebellen zijn sterker in het noorden en hebben daar de macht in meerdere kleinere steden – maar ze vechten dus ook tegen elkaar.

Er is geen enkele grote, belangrijke stad die volledig in handen van tegenstanders van Assad is. In Homs, Deraa, Aleppo en Deir ez-Zor (een van de weinige grote steden in het oosten van het land, dat voor de rest grotendeels woestijn is) wordt erom gestreden; in hoofdstad Damascus, kuststad Latakia en Hama is het regeringsleger dominant.

Wat bedoelen we in zo’n vraag eigenlijk met ‘de wereld’? In de praktijk is dat de VN-Veiligheidsraad, en dan in het bijzonder de vijf permanente leden: de VS, Frankrijk, Groot-Brittannië, China en Rusland. Elk van hen kan met het vetorecht beslissingen tegenhouden. En omdat China en Rusland vanaf het begin tegen ingrijpen in Syrië zijn geweest, strandde elke poging om als internationale gemeenschap, om als ‘wereld’ dus, in te grijpen.

Maar waarom zijn China en Rusland dan tegen ingrijpen, als er al zo lang de verschrikkelijkste berichten naar buiten komen over Syrië?

Dat is voor beide landen anders, al zijn er ook overeenkomsten. Om met dat laatste te beginnen: in maart 2011 besloten Rusland en China zich, bij uitzondering, van stemmen te onthouden bij een resolutie (een VN-besluit) over ingrijpen in Libië, omdat ze dachten dat ze daarmee de bevolking van het land beschermden. Ze zeiden dus eigenlijk: prima, wij kijken voor één keer de andere kant op.

Rusland en China wisten wel dat ze daarmee instemden met beperkt militair ingrijpen in Libië, maar (vooral) de Verenigde Staten rekten het mandaat zo op dat ze een oorlog tegen het regime van Gaddafi konden beginnen. Dat niet inzetten van het veto was achteraf bezien een fout, vinden de twee landen nu. Ze zijn bang dat de deur opengaat naar bemoeienis met de eigen aangelegenheden: Rusland treedt zelf hard op tegen opstandelingen in Tsjetsjenië en China doet dat in Tibet. Als ze ingrijpen in Syrië toestaan, zijn ze dan zelf de volgende?

Met de inlijving van Tibet in het achterhoofd verzet China zich altijd al tegen inbreuk op de soevereiniteit van andere landen. Ze vinden dat iedereen zich maar met zijn eigen zaken moet bemoeien. Dat is al zo lang zo, dat niemand daar nog een punt van maakt. En dat komt de Chinezen goed uit: zo kunnen ze net zo dwars liggen als Rusland, maar krijgen de Russen alle kritiek.

Dan over de weigering van Rusland in het bijzonder. Ten eerste ligt in de Syrische havenstad Tartus de strategisch belangrijke, laatst overgebleven marinebasis van Rusland in de regio. Die hebben ze onder Assad en die willen ze niet kwijtraken onder leiding van een nieuw regime. Rusland en Syrië zijn sinds de Koude Oorlog bondgenoten en dat wordt gekoesterd.

Daarnaast levert Rusland wapens aan Syrië. De banden tussen de twee gaan ver terug. Er lopen contracten van in totaal 5 miljard dollar – het Russische leger had ook zulke afspraken met Libië en die zijn al weggevallen, dus het behoud van deze deal is belangrijk voor de portemonnee van Rusland. Bovendien hebben Russische bedrijven (volgens cijfers uit 2009) ongeveer 19,4 miljard dollar aan investeringen lopen in Syrische infrastructuur, energie en toerisme.

Maar het willen redden van het eigen hachje is niet de enige reden – al legt het Westen het wel vaak zo uit. Ook het moraliserende toontje van westerse leiders hangt ze nu wel de keel uit. Wél Assad weg willen hebben, maar in Oezbekistan een gewelddadig regime door de vingers zien: omdat dat land een belangrijke doorgang is voor NAVO-troepen die richting Afghanistan moeten? Het harde optreden tegen demonstranten in Bahrein tijdens het begin van de ‘Arabische Lente’ leek wel op dat in Syrië, maar de koning daar werd niet opgeroepen af te treden. Misschien omdat in dat land een Amerikaanse marinebasis ligt?

Daar komt bij dat Rusland zich grote zorgen maakt over de instabiliteit in het Midden-Oosten. De NAVO trekt zich terug uit Afghanistan - kan de Talibaan dan weer aan kracht winnen? Hoe het na Gaddafi verder moet met Libië is ook nog niet duidelijk. En wie grijpen de macht als Assad weg is?

Dat betekent niet dat de Russen nooit van standpunt zullen wijzigen – in de eerste plaats omdat ze niet bij de verliezende partij willen horen. Als Assad valt en er vindt een machtsverschuiving plaats, dan wil Rusland ook dáár goede banden mee hebben.

Maar goed; we kunnen ook niet simpelweg zeggen dat China en Rusland vrede in Syrië in de weg staan. Stel dat de VN-Veiligheidsraad wel unaniem zou besluiten dat er iets moet gebeuren. Wat zouden ze dan precies moeten doen? In tegenstelling tot Libië (waar in 2012 wel ingegrepen werd, met luchtaanvallen) staan de belangrijke doelwitten middenin woonwijken, waardoor de kans groot is dat er burgerdoden vallen. Bovendien is het leger van Assad veel sterker en beter georganiseerd dan dat van Gaddafi, dat al snel overliep naar de oppositie. En Syrië heeft belangrijke bondgenoten (Iran en Rusland), Libië had die niet. Een no-flyzone (een vliegverbod instellen boven het land)? Dat zal waarschijnlijk weinig uitmaken, omdat het op de grond gebeurt.

Een andere optie is wapens leveren aan de oppositie. Maar dat is gevaarlijk, omdat die zo goed als zeker in handen van extremistische groeperingen vallen.

Er is nóg een reden waarom ingrijpen gevaarlijk is. Sinds Assads vader Hafez de macht greep, hebben de vrienden van de Ba’ath-partij (en dus vooral de alawieten, want zij zijn familie) het in Syrië voor het zeggen gehad, terwijl de arme sunnieten een veel groter deel van de bevolking uitmaken. Als Assad valt, is de kans groot dat er een sunnitische regering komt. Dat zou de verhoudingen in de regio dramatisch veranderen. Bovendien zullen de sunnieten zich naar verwachting willen vergelden voor wat de shi’itische alawieten ze hebben aangedaan, met meer geweld en meer doden tot gevolg, volgens de invloedrijke Indiaas-Amerikaanse opiniemaker Fareed Zakaria. Hij voorspelt dan een pijnlijke, langdurige periode waarin de ‘sektarische balans’ opnieuw moet worden gezocht.

Kortom: er is geen enkel zicht op een oplossing die geen nieuw enorm probleem zou opwerpen. En ondertussen bestookt de Syrische regering de eigen bevolking zelfs met chemische wapens.

Juist, de kwestie waar het in augustus en september 2013 steeds om ging. Had Syrië chemische wapens ingezet in een buitenwijk van Damascus en zo ja, hoe zouden ze daarvoor gestraft moeten worden?

Eerst de uitleg van wat het precies is. Chemische wapens zijn stoffen die worden ingezet om de tegenstander te verlammen, verwonden of doden. Voorbeelden zijn mosterdgas (dat de huid aantast en doof- en blindheid kan veroorzaken), zenuwgassen (dat ademhalen binnen een paar minuten onmogelijk maakt) en pepperspray (dat met name de ogen tijdelijk irriteert, maar geen blijvend letsel achterlaat). Om het niet onnodig verwarrend te maken, richten we ons in deze tekst vanaf nu op één chemisch wapen: Sarin, het zenuwgas dat in augustus 2013 in Syrië is ingezet en aan honderden of zelfs duizenden mensen het leven kostte.

Het verschil tussen chemische en ‘conventionele’ wapens is dat de laatste categorie schadelijk is vanuit een explosieve kracht: granaatscherven of een kogel uit een geweer dringen het lichaam binnen om te doden of te verwonden. Chemische wapens zijn niet explosief: in aanraking komen met een zenuwgas zorgt voor een chemische reactie in het lichaam. De stof dringt via de huid, het oog of via inademen het lichaam binnen en tast het zenuwstelsel aan. Vitale functies als ademhaling en hartslag vallen uit.

In het geval van Sarin is minder dan een milligram al voldoende om te doden. Extreem effectief dus, maar vooral om dood en verderf te zaaien. Chemische wapens hebben verschrikkingen tot gevolg, maar brengen een oorlog niet dichter bij een overwinning.

Na een kwart eeuw van onderhandelingen werd in 1993 de Conventie tegen Chemische Wapens in het leven geroepen. Sinds 1997 is het van kracht. Daarin werd een verbod op niet alleen het gebruik, maar ook het produceren en in bezit hebben overeengekomen. Syrië was met onder andere Noord-Korea en Egypte een van de weinige landen die het verdrag niet tekenden.

Op 21 augustus 2013 werd Sarin ingezet in Syrië, vlak bij Damascus. Er kwamen honderden, misschien zelfs duizenden mensen bij om het leven. De meeste vingers wezen naar het regime van Assad.

De reactie van onder meer Amerika en Frankrijk was toen zo fel, omdat op het gebruik ervan een grote straf moet staan: het verdrag uit 1997 wordt minder waard als Syrië ermee wegkomt, waardoor de kans groter wordt dat ook andere landen in andere conflicten naar het middel grijpen. Daarom wilden de VS toen opeens wél luchtaanvallen uitvoeren op Damascus.

Op het laatste moment werd een aanval afgewend door Rusland, dat uit alle macht wilde voorkomen dat het zover kwam. Er zouden geen bommen op Damascus vallen als Syrië beloofde om per direct te beginnen met het vernietigen van alle chemische wapens die het in bezit had. Assad, waarschijnlijk allang blij dat hij onder een Amerikaanse luchtaanval uitkwam, stemde in.

Er werd in september 2013 afgesproken dat vóór 1 januari 2014 het dodelijkste deel van het arsenaal chemische wapens Syrië uit moest zijn. Dat is niet gelukt, mede doordat het door de aanhoudende gevechten onmogelijk was om chemicaliën over de weg van Damascus naar Latakia te vervoeren.

Wie hier een lichtpuntje aan de horizon verwachtte: sorry. Er is alle reden om verschrikkelijk cynisch te zijn. Als we niets doen, is Syrië over dertien jaar leeg, schreef Midden-Oosten-expert Carolien Roelants onlangs in nrc.next. Dan is iedereen dood of weggevlucht.

Een alinea verder schrijft ze dat de Syrische regering nu gewoon vaten vol met explosieven uit het vliegtuig gooit. Veroorzaakt ook heel veel doden, maar: „geen gifgas, dus dat mag”.

Ondertussen is er geen enkel teken dat de strijdende partijen hun wapens neerleggen. De eis van het Westen, de politieke oppositie en de verschillende groepen die tegen Assad vechten, is dat hij opstapt. Het regime van Assad zegt juist geen enkele concessie te willen doen en noemt de tegenstanders ‘terroristen’. De president wil gewoon weer meedoen aan de verkiezingen*.

Het Westen dringt er bij de oppositiegroepen op aan om mee te doen aan die verkiezingen, maar heeft het daarmee eigenlijk tegen de politieke oppositie, die zich buiten Syrië bevindt en onder de vechtende Syriërs weinig vertrouwen geniet. Die rebellengroepen willen niet onderhandelen, maar vechten. Alle partijen denken dat ze de oorlog nog kunnen winnen. En de internationale gemeenschap is verdeeld over wat er moet gebeuren – en al zouden ze er hetzelfde over denken, dan is er nog geen voor de hand liggende manier om in te grijpen.

Met andere woorden: alles wijst erop dat er nog een lange tijd, waarschijnlijk jaren, gevochten gaat worden. Het regime zal waarschijnlijk niet nogmaals naar chemische wapens grijpen, omdat een aanval van de VS toen wel erg dichtbij kwam en het arsenaal nu vernietigd wordt. Maar op elke andere manier blijft Assad de ‘terroristen’ die hem weg willen hebben bestoken. Steden zijn kapotgeschoten, honderdduizenden mensen zijn omgekomen en miljoenen zijn het land uit gevlucht.

Zelfs als iedereen morgen de wapens neerlegt, zal het nog tientallen jaren duren voordat het land weer een beetje kan functioneren.

Met dank aan Carolien Roelants, Toon Beemsterboer, Erik van Gameren, Margot de Bekker, Lisanne Groenendaal, Marijn Scholtus en Rosanne Wielenga.