Architecten en andere bedreigingen

Sinds de opening van het koninklijk paleis in Mafra, in Portugal, wordt de rococobibliotheek op de tweede verdieping bewoond door een kleine kolonie vleermuizen. Al tweeëneenhalve eeuw vliegen de beestjes iedere nacht uit om achter de boeken en tegen de wit gestuukte plafonds twee keer hun eigen gewicht aan insecten te eten. Zo beschermen ze een van de mooiste bibliotheken ter wereld tegen een dreiging die elders bestreden moet worden met schoonmaakploegen en verdelgingsmiddelen.

Insectenvraat is maar een van de dingen die een gezonde bibliotheek bedreigen. Nattigheid is een ander, vandaar dat bibliotheken vroeger altijd op de eerste verdieping of hoger werden gebouwd, buiten het bereik van overstromingen of optrekkend vocht. En brand was helemaal funest, met al het over kasten en folianten verdeelde ontvlambaar materiaal. Toen dat gevaar in de 19de eeuw enigszins was geweken door het gebruik van steen en gietijzer als bouwmateriaal, doken er twee nieuwe grote vijanden op – tenminste volgens een Londense bibliothecaris: gas (dat de hoogste verdiepingen meer verwarmde dan goed was voor mens en boek) en architecten (die de wow-factor altijd laten prevaleren boven gebruiksgemak).

In het informatieve en verbluffend mooi vormgegeven fotoboek De bibliotheek, beschrijft James Campbell de geschiedenis van de boekenopslag als een eeuwige strijd tussen architecten en bibliothecarissen. Uitgaande van de stelling dat een bibliotheek – anders dan andere gebouwen – bestaat bij de gratie van zijn interieur, voert hij de lezer mee over de hele wereld en door 2500 jaar geschiedenis, van de kleitablettenverzameling van de Assyrische koning Assurbanipal (7de eeuw v. Chr.) tot de piepkleine, ecologisch verantwoorde Liyuan-bibliotheek (2012) in oostelijk China. Om zijn verhaal te illustreren, reisde hij samen met fotograaf Will Pryce 82 bibliotheken in 21 landen af. Hun interieurs, en soms ook exterieurs, sieren de glanspagina’s op quartoformaat.

Aan de beroemde bibliotheek van Alexandrië (gesticht in de 3de eeuw v. Chr.) maakt Campbell minder woorden vuil dan de meeste andere werken die zich met de geschiedenis van het boek bezighouden. Niet alleen omdat er niets van over is, maar ook omdat hij twijfels heeft over het romantische beeld dat eromheen is ontstaan. Honderdduizenden boekrollen? Als je de geschatte ruimte en de opbergmethode (in nissen in de muur) ertegen af zet, kunnen het er niet meer dan tien- tot vijftienduizend zijn geweest. Verwoest in de 7de eeuw door binnenvallende moslims? Gegeven de kwetsbaarheid van het basismateriaal van de boekrollen, papyrus, was de collectie waarschijnlijk allang weggerot. De belangrijkste bieb van de oudheid? Nee hoor, die in Efesos en Pergamon (nu Turkije) waren grootser. En de resten daarvan zijn nog zeer fotogeniek.

Van de Griekse en Romeinse bibliotheken zijn hoogstens de buitenkanten over. Pas in het hoofdstuk over de Middeleeuwen kunnen Campbell & Pryce zich uitleven in het tonen en becommentariëren van interieurs: van de laatmiddeleeuwse kloosterbibliotheken (zoals de librije van de Walburgiskerk in Zutphen, een van de oudste met het ‘lessenaarsysteem’ waarbij boeken op de kerkbanken zijn uitgestald) tot de bibliotheken van het Verre Oosten. Een van de oudste bibliotheken (est. 1251) bevindt zich in de Haeinsa-tempel in Zuid-Korea, bewaarplaats van de Tripitaka Koreana, boekblokken met boeddhistische leerteksten; het klimaatsysteem is er zo verfijnd dat iedere poging om de blokken elders op te slaan tot mislukken gedoemd bleek. Even imposant is de gigantische boekenmolen voor boeddhistische soetra’s in de 15de-eeuwse Mii-Dera-tempel in Japan – een originele variatie op de manieren waarop in het westen boeken werden bewaard: op lessenaars (aan kettingen), in vrijstaande boekenkasten (stalls) en vanaf de 16de eeuw, toen boeken goedkoper werden en niet meer vastgelegd hoefden te worden, tegen de wand.

Het hoogtepunt van het bibliotheekinterieur lag in de 18de en 19de eeuw, tenminste als je het boek van Campbell & Pryce mag geloven. De pronkzaalbibliotheken uit de rococo (met veel stucwerk en verguldsel) leveren de mooiste foto’s op, de interieurs met koepels, zuilen en gietijzer uit de tijd van het neoclassicisme (denk aan de Public Library in New York) doen je het meest verlangen om met een boek naar de leeszaal te gaan. Met de opmars van het modernisme in de architectuur is de gezelligheid in de bieb enigszins verloren gegaan. De Staatsbibliothek zu Berlin van Hans Scharoun uit 1978 lijkt nog het meest op een vliegtuighal, en de leeszaal van Bibliothèque Nationale in Parijs (Dominique Perrault, 1976) heeft iets weg van een bedrijfskantine. Ook de universiteitsbibliotheken van Delft (Mecanoo, 1997) en Utrecht (Wiel Arets, 2004) ogen eerder monumentaal dan knus-functioneel.

Anders dan Alberto Manguel, die acht jaar geleden De bibliotheek bij nacht publiceerde, besteedt Campbell geen aandacht aan de architectuur van fictieve bibliotheken (die van kapitein Nemo in 20.000 mijlen onder zee, of die van Jorge Luis Borges in ‘De bibliotheek van Babel’) – die zijn immers niet te fotograferen. Maar in zijn hoofdstuk over de Middeleeuwen levert hij nog wel commentaar op de benedictijner bibliotheek in De Naam van de Roos, die volgens Umberto Eco 85.000 manuscripten bevatte. Daar stopt Campbells suspension of disbelief. De oude lessenaarbibliotheken bezaten soms maar honderd exemplaren, en nooit meer dan duizend.