Column

Als een smartlap

©

De speelfilm Philomena was wel het laatste wat de Rooms-Katholieke Kerk van Ierland na de schandalen van seksueel misbruik kon gebruiken. De film vestigt de aandacht op een minstens zo schandalig schandaal: de exploitatie van jonge ongehuwde moeders en de roof van hun kinderen. Het gebeurde in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw.

Het gaat niet om nieuwe feiten. Philomena is de verfilming door Stephen Frears van het vijf jaar geleden verschenen non-fictieboek The Lost Child of Philomena Lee door de journalist Martin Sixsmith. Maar zo’n boek heeft lang niet de invloed van een succesvolle speelfilm, die tot in lengte van jaren wereldwijd vertoond zal worden.

Puur filmisch is Philomena geen meesterwerk, maar het verhaal van dit leven is zo verbijsterend dat je de film niet snel zult vergeten. Philomena onthulde in 2003 dat ze vijftig jaar lang had gezwegen over het bestaan van een zoon. Als 18-jarig meisje was ze bij een eerste vrijage zwanger geraakt. Van seks wist ze niets, ze was na de dood van haar moeder opgegroeid op een kloosterschool van puriteinse nonnen. Ze had die school net verlaten toen ze haar eerste vrijer ontmoette.

Haar familie dwong haar als aanstaande moeder naar het klooster in Roscrea terug te gaan. Daar beviel ze op 5 juli 1952 van een zoon, Anthony. Het kind werd haar omstreeks Kerstmis 1955 door de nonnen afgenomen en – met een vriendinnetje – verkocht aan het welgestelde Amerikaanse echtpaar Marge en Doc Hess, goede katholieken (de broer van Marge was bisschop). Het echtpaar had al drie zonen, maar wilde nog graag een dochter.

In een artikel in de Daily Mail beschreef Martin Sixsmith onlangs het belang voor hem van de gedetailleerde dagboeken van Marge Hess. Sixsmith hielp Philomena bij de zoektocht naar haar zoon. De dagboeken lieten zien hoe willekeurig de jacht op adoptiekinderen kon verlopen.

Marge Hess ging allerlei kindertehuizen af. In het klooster van Roscrea werd haar het verlegen 3-jarige meisje Mary McDonald door de moeder-overste aangeboden. „Toen Marge zich voorover boog om haar nieuwe dochter op te pakken”, schrijft Sixsmith, „werd ze vertederd door de aanblik van Mary’s beste vriend, een jongetje in een flodderige broek, dat naar haar toerende om haar een kus te geven.” Marge belde ’s avonds haar man met de vraag of ze ook twee kinderen mocht meenemen. Het mocht.

Bij deze passage moest ik onwillekeurig denken aan de asielkat die wij ooit hebben genomen, omdat zij zich in het asiel zo lieftallig aan ons opdrong. Kortom, wie weg wil uit tehuizen en asielen: doe lief. Die kat bleek trouwens écht lief. Misschien was Anthony ook wel lief, maar hij bleek homo, wat hem in de ogen van zijn nieuwe vader en broers later onaanvaardbaar maakte.

Het werd er voor Anthony niet beter op toen hij carrière maakte in de homofobe wereld van de Republikeinse Partij. Wanhopig zocht hij troost bij zijn Ierse wortels. Maar de nonnen maakten hem wijs dat zijn moeder geen interesse in hem had. Zo stierf hij aan aids, zonder met zijn moeder herenigd te zijn. Om toch dichtbij haar te zijn, betaalde hij de nonnen een stevig bedrag voor zijn graf bij het Ierse klooster.

Het klinkt allemaal als één grote smartlap, gezongen door Marianne Weber. Maar het was de krankzinnige werkelijkheid van katholiek Ierland, waar op die manier duizenden kinderen voor 2.000 tot 3.000 pond werden verkocht aan Amerikaanse ouders.