Zelfbedrog

The Sociopath of Long Island was misschien een betere titel geweest voor The Wolf Of Wall Street, Martin Scorseses nieuwste film. Jordan Belfort werkte maar een blauwe maandag op Wall Street, of beter een zwarte maandag, want dat was de dag, 19 oktober 1987, dat zijn loopbaan daar begon en eindigde. Terug op Long Island begon hij de firma waar de film over gaat.

Het probleem met dit soort biopics is dat de makers meestal van twee walletjes eten, de attentiewaarde van de geschiedschrijving en de vrijheid van de fictie. Scorsese heeft bepaald geen held van zijn hoofdpersoon gemaakt, maar mensen die de echte Belfort van nabij kennen, omschrijven hem met termen als sociopaat en psychopaat. Scorseses verhaal gaat vooral over de bergen geld die Belfort binnenharkt, niet over de talrijke kleine spaarders die hij ruïneerde. Dat deze Belfort moreel gehandicapt is, blijkt wel uit de woorden waarmee hij zich placht te verdedigen: Hey, nobody got killed. Alsof de grens tussen goed en kwaad dáár ligt.

Sinds de crash van 2008, films als Margin Call en Inside Job en de schokkende verhoren van de ‘verantwoordelijke’ managers op Capitol Hill, zijn wij van harte bereid om aan te nemen dat ‘Wall Street’ een singuliere samenzwering van het ergste kwaad is, en toch is dat niet het ware onderwerp van The Wolf of Wall Street.

Het gaat allemaal om die pen.

Belfort heeft zijn vaste maten bijeengeroepen, een gevarieerd stel nietsnutten, om ze warm te maken voor zijn bedrijfsplan. Hij pakt een pen en vraagt ze, een voor een, hem die pen te verkopen. De meeste brengen er niets van terecht, tot het de beurt is aan Brad.

‘Brad, verkoop me die pen.’

‘Oké. Jordan, doe me een lol en schrijf je naam op dat servetje.’

‘Ik heb geen pen.’

‘Kijk, dat bedoel ik. Vraag en aanbod.’

‘Dat is het,’ zegt Belfort. ‘Urgentie creëren. Ze moeten die aandelen nódig hebben.’

Sell me this pen is een classic. Generaties Amerikaanse vertegenwoordigers en verkopers zijn ermee opgegroeid.

‘Oké, dus jij wilt hier komen werken als verkoper?’

‘Ja meneer.’

Er ligt een pen op tafel.

‘Oké, verkoop mij deze pen.’

‘Eh, dit is een héél goede pen…’

‘Stop maar. Next!’

Toen ik voor een jaar in de VS ging wonen had ik een auto nodig. Zo leerde ik de Beste Autoverkoper van Minnesota van het jaar 1991 kennen, aan de muur van zijn kantoor hing een goudgelijste oorkonde. We raakten bevriend, af en toe, op slow days, ging ik bij hem langs en hoorde hem uit over zijn vak. Het eerste dat hij deed: sell me this pen.

In The Wolf of Wall Street is het pennystock (aandelen tot 5 dollar per stuk) maar in de boilerrooms en bucketshops van Amerika wordt van alles aan de man gebracht. Wat je nodig hebt, is een product met verwaarloosbare kostprijs, dat kan worden geframed als iets dat je gewoon moet hebben. Ik kende een boilerroomer die deed het met – letterlijk – bedrukte ballpoints. Hij wist zo’n pen aan de telefoon om te toveren tot dat ene attribuut waarmee de koper die gouden order ging binnenhalen die zijn loopbaan een beslissende, glorieuze wending zou geven. Onzin, dacht ik, toen ik het script las dat hij gebruikte, maar ik zat er naast en zag het gebeuren. En Jordan Belfort was het verbazingwekkende natuurtalent dat elk vak zo nu en dan voortbrengt, als een Usain Bolt of een Judit Polgar.

Dat is het onderwerp van The Wolf of Wall Street: ons onbegrensde vermogen tot zelfbedrog en de mensen die daar geld uit slaan. Dat Scorsese het decor naar Wall Street verplaatste is begrijpelijk, maar niet helemaal terecht.