Column

Waarheid als vijand

De gebroeders Edmond en Jules de Goncourt zou ik tekortdoen als ik volstond, zoals gisteren, met hun bespiegelingen over Nederland. Zij hebben in hun dagboek nog heel wat meer te bieden. Het beslaat de periode tussen 1851 en 1896 op een zeldzaam openhartige wijze. Ze hielden hun dagboek de eerste 35 jaar in het geheim bij, publicatie ervan geschiedde vanaf 1887 aanvankelijk sterk ingekort. „Pas in 1956 komt de volledige publicatie, bijna vijfduizend bladzijden tekst”, schrijft vertaler Leo van Maris in zijn nawoord van Dagboek, waarin hij een selectie opnam.

Voor goede bekenden van de Goncourts, zoals Flaubert, Zola, Maupassant en Feydeau, bevatte het dagboek naast bewonderende ook ontluisterende passages. De broers waren zich dit terdege bewust, zoals bleek uit een dagboekaantekening van 30 augustus 1866: „Maar de waarheid zeggen, wie kan dat voordat hij zelf gestorven is? Als ik morgen zou drukken wat ik hier schrijf, dan verwacht ik klappen om mijn oren te krijgen van een zoon en de publieke opinie tegen me in opstand te zien komen, omdat de waarheid de vijand is, een grove belediging van de algemene hypocrisie, iets waar iedereen bang voor is en die niemand wil horen.”

Ter typering van het dagboek is het verleidelijk te volstaan met enkele scabreuze citaten over het drank- en damesgebruik van een aantal later beroemd geworden heren. Ik wil het nu eens over een andere boeg gooien: die van de dood. Het dagboek bevat een aantal indringende, roerende passages, zoals die over de begrafenissen van Jules de Goncourt en Gustave Flaubert en over de dood in het algemeen.

Maandag 6 maart 1882:

„Vandaag is ons oude diner van de Vijf weer hervat, zonder Flaubert, maar met Toergenjev, Zola, Daudet en mijzelf.

De geestelijke problemen van sommigen, het lichamelijke lijden van anderen, brachten het gesprek op de dood, – en dat gesprek over de dood ging tot elf uur door. Soms probeerden we een andere richting in te slaan, maar steeds kwamen we weer terug op ons sombere onderwerp.

Daudet zei dat hij er zich door achtervolgd voelde, dat het zijn leven vergiftigde en dat hij nooit een nieuwe woning had betrokken zonder dat hij met zijn ogen de plaats had gezocht waar zijn kist zou worden opgesteld.

Zola zei dat toen zijn moeder in Médan gestorven was, de trap te klein bleek te zijn, zodat men haar door het raam naar beneden moest laten. En nooit kon hij dat raam meer zien zonder zich af te vragen wie er het eerst door naar beneden zou zakken, zijn vrouw of hijzelf.

Hij vervolgde: ‘Ja, sindsdien is de dood voortdurend in onze gedachten geweest en heel vaak – we hebben nu een klein lampje in onze slaapkamer –, heel vaak wanneer ik naar mijn vrouw kijk als ze wakker ligt, voel ik dat zij, net als ikzelf, ook daaraan denkt; en zo liggen we daar dan, zonder dat een van ons beiden ooit laat merken waaraan we denken…., uit discretie, ja uit een zekere discretie…Ach! Het is een verschrikkelijke gedachte!’

En er was angst in zijn ogen te zien. ‘Soms spring ik ’s nachts ineens uit mijn bed en dan sta ik daar een moment in een toestand van een onbeschrijflijke ontzetting.’”

Zola had daarna nog twintig jaar om zich op de dood voor te bereiden. Die kwam toch nog onverwacht op 29 september 1902 in zijn woning aan de Rue de Bruxelles in Parijs: koolmonoxidevergiftiging; zijn vrouw overleefde het op het nippertje.