Vechthuwelijk tussen energie- en klimaatbeleid

Een huwelijk tussen de belangen van het klimaat en die van de Europese industrie. Zo typeerde de voorzitter van de Europese Commissie, José Manuel Barroso, het gisteren in Brussel gepresenteerde klimaatbeleid voor de periode tot 2030. „Ambitieus, maar betaalbaar.”

Een vechthuwelijk, dat wel: tijdens de persconferentie gisteren werd Barroso geflankeerd door Günther Oettinger en Connie Hedegaard, de eurocommissarissen van respectievelijk Energie en ‘Klimaatactie’, die in de afgelopen maanden geregeld met elkaar overhoop lagen over de vraag welke klimaatdoelstellingen de Europese Unie zichzelf moet opleggen. Het was een ‘ménage a trois’ geweest, grapte Barroso.

De Deense Hedegaard keek opgewekter dan de Duitse Oettinger. Zij lijkt dan ook het meeste te hebben binnengehaald: de uitstoot van broeikasgassen moet in 2030 met 40 procent zijn teruggebracht (ten opzichte van ijkjaar 1990), en niet met 35 procent, wat Oettinger liever had gewild, zo gaf hij zelf ook ruiterlijk toe.

„Dit is een betekenisvolle stap”, zei Hedegaard over de doelstelling, het vervolg op het huidige beleid dat uitgaat van een reductie van 20 procent voor 2020. „Hopelijk hebben lidstaten de moed om die ook te zetten.” Want in maart moeten regeringsleiders zich op een top nog uitspreken over de voorstellen die de Europese Commissie gisteren deed.

Er was ook meteen kritiek: de Europese Groenen spraken van „een dolksteek in het klimaatbeleid”. Om te voorkomen, zoals internationaal is afgesproken, dat de aarde aan het einde van de eeuw meer dan twee graden Celsius is opgewarmd, is meer nodig, vinden zij.

Vooral het voorstel om duurzame energie niet langer extra te bevorderen met bindende doelstellingen op nationaal niveau viel slecht. Klassieke energiebedrijven, die last hebben van oprukkende zonnepanelen en windparken, hadden zich tegen zo’n doelstelling verzet. Net als sommige lidstaten, Groot-Brittannië voorop, die kernenergie en schaliegas als oplossing voor het CO2-probleem zien; niet duurzame energie.

Hedegaard reageerde fel op de kritiek van milieupartijen en -activisten. „Wees eerlijk. Dat is mijn boodschap”, zei ze. „Veertig procent is geen kleinigheid, het is nogal wat.” Temeer omdat bedrijven voor het bereiken van die doelen hun uitstoot niet langer mogen afkopen met milieuvriendelijke projecten in het buitenland, zoals in de afgelopen jaren op grote schaal gebeurde. Alleen binnenlands behaalde besparingen tellen straks. „De kunst van politiek bedrijven”, zei Hedegaard, „is voorstellen doen die je er ook echt door kunt krijgen”. Hoe graag ze dat ook wilde: had ze doorgedramd over duurzame energie „dan zou dit voorstel in politieke zin vandaag al dood zijn”. Lidstaten moeten in maart unaniem instemmen met de voorstellen.

Elke potentieel moeilijke lidstaat kreeg gisteren een beetje zijn zin. De Britten kregen de extra beleidsvrijheid voor eigen energiebeleid, de Fransen kregen kernenergie, de Polen schaliegas en de Duitsers zonnepanelen. Er komen weliswaar geen nationale doelstellingen voor duurzame energie, maar wel een Europese doelstelling (27 procent in 2030), die bovendien op Europees niveau ‘bindend’ is – al is niet helemaal duidelijk wat dat betekent. Volgens Hedegaard is het belangrijk dat het pakket snel wordt aangenomen, met het oog op de grote internationale klimaatconferentie eind volgend jaar in Parijs. Europa moet daar de toon zetten, vindt ze.

Politiek-strategisch gezien mag het klimaatakkoord dan slim in elkaar zitten, europarlementariër Bas Eickhout (GroenLinks) vindt het onbegrijpelijk dat de voorstellen al in dit vroege stadium van het wetgevende proces zo verwaterd zijn. De Europese Commissie „zou ambitie moeten tonen, hoog inzetten”, zegt Eickhout. „Laat het verwateren daarna maar over aan lidstaten en laat hen dat vervolgens ook maar uitleggen.” De Commissie, zegt hij, zou juist minder politiek moeten bedrijven.