Schizofrenie ligt verspreid in de genen

De erfelijke aanleg voor schizofrenie wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door een combinatie van allerlei zeldzame mutaties in het DNA. Veel daarvan ontstaan pas in het embryo en zijn dus niet aanwezig in het erfelijk materiaal van de ouders.

Dat blijkt uit twee studies die vandaag gepubliceerd zijn in het wetenschappelijke tijdschrift Nature.

Schizofrenie kenmerkt zich door langdurige psychoses waarbij iemand wanen, hallucinaties of aanhoudend verwarde gedachten krijgt. Geschat wordt dat in Nederland ongeveer een op de tweehonderd volwassenen in het leven te kampen heeft of heeft gehad met schizofrenie.

Een team onder leiding van Pamela Sklar van de Icahn School of Medicine in New York vergeleek de genen van 2.500 gezonde proefpersonen met die van een even grote groep schizofreniepatiënten. Ze vonden dat de mutaties die bij schizofrenie betrokken zijn zeldzaam zijn (aanwezig bij 1 op de 10.000 mensen) en verdeeld over verschillende genen.

Maar veel van die genen zijn betrokken bij hetzelfde biochemische netwerk, vooral het netwerk rond het zogeheten fragiele X-eiwit. Dat is een eiwit waarvan bekend is dat mutaties in het gen ervoor leiden tot ernstige geestelijke handicaps. Nu wordt duidelijk dat genen eromheen ook een rol kunnen spelen bij storingen in de hersenwerking. Deze genen zijn betrokken bij de vorming van synapsen, de verbindingen tussen zenuwcellen in de hersenen. Er is dus niet één genmutatie die schizofrenie veroorzaakt: de aanleg ervoor kan door heel veel verschillende combinaties van mutaties veroorzaakt worden.

In de andere studie keken genetici onder leiding van Michael O’Donovan van de universiteit van Cardiff naar het genetische verschil tussen 623 Bulgaarse schizofreniepatiënten en hun twee gezonde ouders. Ook dit team vond bij de kinderen mutaties in genen die verband hielden met het fragiele X-eiwit. Deze studie toont dus aan dat de mutaties niet per se door ouders worden doorgegeven.

Volgens beide onderzoeksteams bestaat er een grote overlap tussen de genetische aanleg voor schizofrenie en andere psychiatrische stoornissen, zoals autisme en zwakbegaafdheid.

Behalve mutaties, waarbij er daadwerkelijk veranderingen optreden in de volgorde van de basen – de ‘lettervolgorde’ – van het DNA in genen, speelt ook variatie in het aantal kopieën van deze genen een rol bij de gevoeligheid voor schizofrenie. Ook die verschillen kunnen nieuw ontstaan in het embryo en hoeven dus niet aanwezig te zijn bij de ouders.

Andersom hebben mensen met schizofrenie die zelf kinderen krijgen – als het zover komt – een grote kans het aan hun nageslacht door te geven. Een kind van een schizofrene ouder heeft een kans van 13 procent ook schizofrenie te krijgen.