Opgestapt bij ‘dictatoriaal’ Satudarah

Bijgestaan door sergeant at arms Theo ten Velde licht voormalig Satudarah-leiderHenk Kuijpers zijn overstap toe in het clubhuis van zijn motorclub in Emmen. Foto ANP

„Satudarah is dictatoriaal geworden. Er zijn mensen die denken dat ze aan alle touwtjes kunnen trekken en dat iedereen dan doet wat zij willen. Dat is niet de bedoeling van een motorclub.”

Zo verklaarde Henk Kuipers, voorman van motorclub Satudarah, gisteren zijn overstap naar concurrent No Surrender. Op een persconferentie in het clubhuis te Emmen zei Kuipers dat hij wordt tegengewerkt en onvoldoende waardering krijgt. Het was volgens hem „een meerderheid tegen een minderheid geworden”.

Kuipers, die ruim honderd leden met zich meeneemt, gaf vier jaar leiding aan de motorclub uit Emmen. Met de overstap wordt No Surrender een van de grootste en machtigste clubs van Nederland.

No Surrender werd vorig jaar opgericht door ex-Satudarahlid Klaas Otto. De club staat bekend om zijn gemengde ledenbestand. Turken, Marokkanen, voetbalhooligans, woonwagenbewoners en Antillianen hebben zich bij de club uit Zundert aangesloten. Ook Willem Holleeder was korte tijd lid van No Surrender.

De overstap van Kuipers staat niet op zichzelf. Het rommelt al langer in Satudarah. In twee jaar tijd werden zo’n veertig leden van de motorclub opgepakt voor wapenhandel, drugshandel en geweldsincidenten. Vorige zomer nog werden twee leden in Tilburg opgepakt omdat zij vuurwapens aan Satudarahleden in Duisburg zouden hebben geleverd. Kuipers ontkende gisteren evenwel dat zijn overstap iets met die ontwikkelingen te maken heeft.

Politie en justitie volgen de ontwikkelingen op de voet. Zij betichten de motorclubs van criminele activiteiten. Het Openbaar Ministerie deed vergeefse pogingen afdelingen van de Hells Angels te laten verbieden. De rechter oordeelde echter dat de leden van de motorclub zich niet structureel misdragen.

Kuipers zei gisteren dat hij niet bang is dat zijn overstap drastische gevolgen heeft. „Ik voel mij niet bedreigd. De jongens van mij ook niet, anders hadden wij het natuurlijk niet gedaan.”