Nieuwjaarsreceptie

Zomaar een nieuwjaarsreceptie, toevallig die van deze krant. Ik liep dat schitterende restaurant binnen. Recht in de armen van god weet wie. Ik zag er beter uit dan op de foto, het leek me een compliment. Voor me stond iemand die heel nadrukkelijk ‘yeah!’ riep toen de nieuwjaarsspeech klaar was Een onbegrepen grapje eroverheen. „Ja,

Zomaar een nieuwjaarsreceptie, toevallig die van deze krant. Ik liep dat schitterende restaurant binnen. Recht in de armen van god weet wie. Ik zag er beter uit dan op de foto, het leek me een compliment.

Voor me stond iemand die heel nadrukkelijk ‘yeah!’ riep toen de nieuwjaarsspeech klaar was

Een onbegrepen grapje eroverheen.

„Ja, ik heb mijn haar gewassen.”

Dan van de andere kant: „Ik ga samenwonen, de kogel is door de kerk.”

Ik wist niet dat er een kogel was, laat staan een kerk, zelfs het bestaan van een vriendin bevreemdde me.

Naar de garderobe.

Gesprek met iemand met schrijfdrang.

„Mijn vingers jeuken. Ik heb zin om ergens in te duiken.”

„Mooi!” hoorde ik mezelf zeggen. En: „Ik kijk ernaar uit.”

In het achterhoofd rees de vraag of dit typisch iets voor journalisten was, of ging het er binnen andere beroepsgroepen ook zo aan toe? Banketbakkers bijvoorbeeld. Als die een feest hadden, zeiden die dan ook allemaal dat ze zin hadden om eindelijk weer eens een taart te bakken? Of automonteurs? „Ik wil morgenvroeg onder de motorkap duiken.”

Van rechters wist ik het inmiddels, ik was een paar weken terug op hun nieuwjaarsreceptie en daar ging het vooral over cabaret en toneel, een hobby waarbij ze zich lekker konden laten gaan.

Naar de bekende gezichten.

Eentje vroeg meteen: „Heb je er nog zin in?”

Jezus, straalde ik het tegenovergestelde uit? ‘Heb je er nog zin in?’ vond ik een bedreigende vraag, een vraag die ik natuurlijk niet met ‘nee’ ging beantwoorden.

„Ja!”

„Heel veel zin.”

Ik kieperde het eerste glas bier achterover.

„Ongelooflijk veel zin.”

Toespraak van de hoofdredacteur, schuin voor me iemand die heel nadrukkelijk ‘yeah!’ riep toen het klaar was.

Buiten roken, binnen kletsen, iemand die begon over kantoorpolitiek en dat je jezelf op de kaart moest zetten.

De kaart, welke kaart?

„Je moet ze erop wijzen dat je bestaat.”

Mee naar degene tegen wie je moest zeggen dat je bestaat, we waren niet de enigen. Ik wist te ontkomen. Op het toilet, bij de wasbak, een redacteur die zei: „Ik blader hem steeds vaker door.”

De krant?

„Nee, nrc.next.”

Het was vriendelijk bedoeld.

Drank, hoe werkte dat eigenlijk? Waarom hoorde je als het begon te werken geen klik, of een knal? Een serveerster dreef ons achter een lint, steeds verder naar achteren moesten we. De groep werd kleiner, de ruimte ook. Ik kon nu tegen iedereen persoonlijk zeggen hoeveel zin ik erin had. In de garderobe het besef dat ik natuurlijk ook mijn mond had kunnen houden, maar daar zijn nieuwjaarsrecepties niet voor bedoeld.