Ik vertel liever het andere verhaal

‘Ik zoek graag naar wat ingewikkeld is, naar het niet-gangbare verhaal.’ Foto’s Andreas Terlaak

Wytske Versteeg kwam naar de Amsterdamse interviewlocatie met de trein. Geen punt: ze zit vaak en graag in de trein, wonend in Delft en werkend als promovenda in Enschede. „Je ziet en hoort in de trein zo veel kleine dingen die interessant worden als je er goed naar kijkt. Ik zag eens een backpacker, op weg naar Schiphol. Zijn vader zwaaide hem uit op het perron en drukte een pluchen ijsbeertje tegen het raam. Die jongen schaamde zich dood. Daar zie ik een verhaal in”, zegt de schrijver.

Waarom? Nu klinkt de wetenschapper: „Je hebt twee partijen die met elkaar verbonden zijn, maar ook een heel ander belang hebben. De jongen gaat een eigen leven opbouwen en die vader kan dat nog niet aan. Er speelt een heel leven op de achtergrond, een gezinsrelatie, een machtsverhouding.”

Gezinsrelaties en machtsverhoudingen interesseren Versteeg (30), als politicoloog („Politicologie gaat over alles wat met macht te maken heeft”) en als schrijfster van inmiddels twee romans. Haar laatste, Boy, gaat ook daarover – en werd genomineerd voor de BNG Bank Literatuurprijs, ‘voor jonge schrijvers met een jong oeuvre’. Vanmiddag wordt in Amsterdam bekendgemaakt wie van de vijf genomineerden de prijs ter waarde van 15.000 euro wint.

Versteegs debuut De wezenlozen (2012) werd zeer goed ontvangen, maar de reacties op Boy liepen sterk uiteen. „Ik denk dat dat is omdat het gaat over taboeonderwerpen en omdat het verhaal verteld wordt vanuit een verbitterde vrouw, geen heel sympathiek personage”, zegt Versteeg. „Sommige mensen willen daar liever niet over lezen, daar blijven ze ver vandaan. De negatieve reacties noemen dat ook vaak als argument: dat het toch niet kán dat een moeder zó doet. Maar de werkelijkheid is vaak vreemder dan de fictie kan verdragen.”

De moeder van Boy, een geadopteerde jongen die als puber plotseling verdwijnt en levenloos aanspoelt op het strand, rouwt, maar blijft afstandelijk. Ongemakkelijke onderwerpen – behalve de onsympathieke (adoptie)moeder ook nog een verboden liefde en verregaande pesterijen – gaat Versteeg niet uit de weg. Juist niet. „Daar ligt het verhaal dat mij het meest interesseert.”

Schrijven is beeldhouwen, niet kleien

Maar met die taboeonderwerpen begint het boek niet, zegt ze. En ook niet met de ‘plot’: de zoektocht van de moeder naar de toedracht van Boys dood. Omdat ze het idee heeft dat de dramadocente van Boy er iets mee te maken heeft, vertrekt ze naar Bulgarije, waar de docente zich op het platteland heeft teruggetrokken. Boys moeder zint op wraak.

Nee, zegt Versteeg, het verhaal kwam pas later. Het begint „met een soort ideetje, wat personages en een paar zinnen. Geen cruciale zinnen, eerder zinnetjes die het decor vormen. Waar het verhaal over gaat, doemt er later wel uit op.” Ze schrijft „in cirkels”, zegt ze. Waarmee ze wil zeggen: herschrijvend en heroverwegend, zoekend. „En die cirkels worden steeds kleiner, ik kom steeds dichter bij de kern. Tijdens het schrijven benader ik steeds meer wat het verhaal moet zijn.”

Schrijven is daarom eerder aftasten dan uitstippelen – „eerder beeldhouwen dan kleien”. „Ik begin met een blok steen en moet steeds meer steen weghouwen om tot het verhaal door te dringen. Bij Boy liep ik vast toen ik al een eind op weg was, toen ik het verhaal vanuit het perspectief van een ander personage had geschreven. Ik kon opnieuw beginnen, maar zo werk ik het liefst: het lijkt me saai om van tevoren te weten wat er gebeurt. Ik laat me liever meedrijven en word dan verrast door mijn personages. Al levert dat wel veel werk op.”

Zoeken naar rafeltjes en scheurtjes

Dat gevoel van verrassing waardeert ze ook in het werk van de schrijvers die ze het liefst leest – ze noemt Nobelprijswinnares Alice Munro. „Zij schrijft over heel gewone levens, maar toch zijn haar verhalen ontzettend spannend. Misschien heeft dat ermee te maken dat ze een schrijver is die niet de gemakkelijke keuze maakt. Wanneer je als lezer de neiging hebt om achterover te leunen, omdat je wel doorhebt hoe het moreel in elkaar zit, blijkt dat het toch weer anders in elkaar zit, complexer.”

„Ik zoek graag naar wat er ingewikkeld is, naar het niet-gangbare verhaal. Het gangbare verhaal zou in Boy geweest zijn dat de moeder liefhebbend was geweest, alles eraan had gedaan om haar zoon te steunen. Dan was het veel gemakkelijker om met haar te sympathiseren. Maar ze is verbitterd, niet knuffelbaar. Ik heb een zwak voor zo’n onmogelijk personage.”

Versteeg houdt van die verhalen die indruisen tegen het algemene gevoel, maar die misschien wel meer waarheid bevatten – ook in haar promotieonderzoek. „Het gaat over hoe mensen communiceren en in gesprekken de wetenschap inzetten. Vaak wordt wetenschap gebruikt om een gesprek te beslechten: ‘Er zijn wetenschappelijke onderzoeken die dit en dat zeggen’. Het gangbare verhaal is dat het gezag van wetenschappers afbrokkelt, dat het publiek er niet in geïnteresseerd is. Een van m’n hypotheses is dat dat wel meevalt.”

„Als ik schrijf doe ik niet aan hypotheses. Ik vind liever achteraf thema’s of ideeën terug in wat ik heb geschreven dan dat ik van tevoren bedenk wat ik aan de kaak wil stellen. Dan zou het misgaan: dan zou ik dat beeldhouwwerk al van tevoren vormgeven, in plaats van af te wachten wat in het blok steen verborgen zit.”

Modieus schrijft Versteeg niet – Boy is eerder klassiek literair. En erg happig om haar werk uit te venten is ze evenmin. „Je ontkomt er niet helemaal aan, maar ik houd er niet zo van om na te denken over mijn imago – dat staat volgens mij haaks op wat je moet doen als schrijver. Dat Alice Munro zo goed is, komt mede doordat zij op de achtergrond blijft en goed kijkt naar wat er gebeurt. Als je bezig bent met: ‘Ziet iedereen mij wel?’ ben je meer bezig met gezien worden dan met zelf kijken. En bovendien moet je als schrijver niet kijken naar wat er mooi en geweldig is, maar zoeken naar rafeltjes en scheurtjes. Daar worden je personages misschien minder knuffelbaar van. Tja. Ik wil niet pleasen.”