Het mooie zien in lelijkheid

Anderhalf jaar geleden overleed de tekenaar Ed Valk (1926-2012). In twee zalen van Pulchri in Den Haag is dezer weken een herdenkingstentoonstelling te zien: een dwarsdoorsnede van zijn oeuvre in 43 tekeningen met een bescheiden formaat, meestal in potlood, soms in inkt of waterverf. Het is een expositie die de liefde voor het tekenen aanwakkert. Het eenvoudige, ouderwetse tekenen van bijvoorbeeld de poserende medemens.

Want foto’s kunnen mooi en waardevol zijn, en het heeft grote voordelen dat je snel en in alle mogelijke kleuren kunt vingerverven op een iPad – maar uiteindelijk leveren die moderne technieken toch niet de fysieke sensatie op die een geslaagde tekening teweegbrengt. Een vel gebroken wit papier, waarop met een scherp geslepen potlood sporen zijn getrokken. Dikke en dunne sporen. Nu eens doortastend, dan weer voorzichtig. Intens geconcentreerd, zoals Ingres dat aan het begin van de negentiende eeuw deed in zijn portretten.

Natuurlijk ligt de twintigste eeuw breeduit tussen Ingres en Valk in, zodat zijn figuurtekeningen ook aan Egon Schiele en Georg Grosz doen denken. Verder zijn er echo’s van Hodler en Picasso, en het verwrongen perspectief heeft met de vroege Lucian Freud te maken. Ed Valk kende zijn klassieken, dat is duidelijk, en hij leverde aan de rijke traditie van de tekenkunst zijn eigen bescheiden bijdrage.

Zijn modellen gaf hij onflatteus, soms bijna karikaturaal weer, maar zonder ze belachelijk te maken. „Ik accepteer wat mensen lelijk noemen en laat daarvan het mooie zien”, zei hij eens. In Pulchri hangen tussen de figuren ook tekeningen van takken en struiken, en dat klopt helemaal. Want Valk tekende mensen als een soort bomen. Met knoestige ellebogen, schouderbladen en knieschijven. Met vingers als twijgjes en vogelnestjes van schaamhaar. Menselijke groeisels, aan het potlood ontsproten.