Gebouwen die je kunt voelen en ruiken

De verwachtingen over Sensing Spaces. Architecture Reimagined in de Royal Academy in Londen waren hooggespannen. Vooral in Groot-Brittannië werd al bij voorbaat gesproken van een architectuurtentoonstelling die de huidige generatie maar één keer zou meemaken. Sensing Spaces zou zoiets worden als The International Style, de expositie in het Museum of Modern Art in New York, waarmee het Nieuwe Bouwen in 1932 in Amerika doorbrak. Of als de Strada Novissima, die het postmodernisme in 1980 op de Architectuurbiënnale in Venetië op de kaart zette.

Sensing Spaces gaf dan ook al lang voor de opening aanleiding tot filosofisch getinte voorbeschouwingen over wat het ‘voelen van ruimte’ kan betekenen. Sense of place is een begrip dat de architectuur al lang kent. Ontelbaar is het aantal projecten met titels als ‘Sensing Places’, waarbij ontwerpers nu ‘onderzoeken’ hoe ze betekenis kunnen geven aan non-places als vliegvelden en shopping malls die overal op de wereld hetzelfde zijn. Maar sense of space belooft iets nieuws.

Anders dan het Nederlands heeft het Engels twee woorden voor ruimte: room en space. Soms betekenen ze hetzelfde, maar meestal gaat het bij room om een besloten ruimte, zoals een kamer, en bij space om een open of zelfs oneindige ruimte, zoals het heelal. In de twintigste-eeuwse architectuur werd de ruimte bevrijd uit het keurslijf van de beslotenheid: rooms werden spaces. Nieuwe bouwtechnieken, zoals staal- en betonskeletten, maakten niet-dragende, glazen gevels mogelijk, zodat gebouwen letterlijk open werden. Ook binnen kennen de gebouwen van modernistische architecten als Ludwig Mies van der Rohe en Le Corbusier nauwelijks traditionele kamers en vloeit de ruimte vrij tussen her en der geplaatste wanden door het interieur heen. Bovendien worden hun gebouwen omringd door open ruimte: Le Corbusier en zijn vele navolgers maakten het liefst vrijstaande gebouwen.

Maar, zo bleek ook in de twintigste eeuw, vooral op straat bleken overvloedige open ruimtes niet te leiden tot plekken met een eigen karakter: in space ben je al gauw lost. Nederlandse modernistische buitenwijken met gebouwen in de open ruimte, zoals de Bijlmermeer, roepen eenzelfde gevoel van onherbergzaamheid op als de banlieues in Frankrijk.

Zo beloofde de titel Sensing Spaces dat de tentoonstelling zou laten zien hoe de twintigste-eeuwse, bevrijde ruimte kon worden verenigd met herbergzaamheid. Maar zo ambitieus blijkt de tentoonstelling in de negentiende-eeuwse Beaux-Arts-ruimtes van de Royal Academy nu toch niet te zijn. Sensing Spaces wil vooral breken met de gebruikelijke, afstandelijke architectuurtentoonstellingen. Die hebben bijna altijd als tekortkoming dat de real stuff , echte architectuur dus, ontbreekt en slechts is te zien in de vorm van tekeningen, maquettes en foto’s. Voor Sensing Spaces vroeg curator Kate Goodwin daarom zeven architecten uit verschillende werelddelen om installaties te maken die duidelijk maken hoe architectuur een beroep kan doen op alle zintuigen. Gebouwen zie je immers niet alleen, maar voel, ruik en hoor je ook.

Oliesjeiks

Als Sensing Spaces al een boodschap heeft, dan is het dat architecten terug moeten gaan naar de basis van hun vak. Ze moeten zich minder bezighouden met het bouwen van spectaculaire ‘iconen’ voor bankiers in Londen, oliesjeiks in de Golfstaten en Chinese staatsinstellingen, en zich weer richten op de zintuiglijke ervaringen van architectuur.

De zeven uitgenodigde architecten zijn dan ook geen van allen iconen bouwende starchitects. De Portugezen Alvaro Siza en Eduardo Souto de Moura zijn nog de grootste namen. Beiden hebben de Pritzkerprijs, de Nobelprijs voor de architectuur gekregen, maar juist zij hebben, als enigen, ronduit teleurstellende, ‘conceptuele’ bijdragen geleverd.

Alvaro Siza heeft op de binnenplaats van de Royal Academy een vereenvoudigde klassieke zuil met een dwarsbalk laten neerzetten. Eduardo Souto de Moura heeft twee betonnen contramallen van de klassieke deurlijsten van het Royal-Academy-gebouw laten maken. Aan beide dingen is weinig te zien en voor bijzondere ervaringen zorgen ze al helemaal niet.

Dit ligt anders bij de bijdrage van Grafton Architects, het Ierse architectenduo Yvonne Farrell en Shelley McNamara. Hoe licht wordt gereflecteerd en gevangen, is de ‘stuff of architecture’, zo maakt het duo duidelijk in de weldadig korte toelichting die op de wanden van hun twee tentoonstellingsruimten hangt. Vooral in de donkere zaal zorgt het licht dat door het glazen dak naar beneden valt tussen de grote, grijze, rechthoekige vlakken die boven de hoofden van de bezoekers zijn opgehangen, voor een bijna sacrale ervaring.

Behalve licht speelt in de installatie van de Japanse architect Kengo Kuma ook geur een rol. In twee volledig verduisterde zalen, waarvan de ene ruikt naar Japanse cipressen en de andere naar Japanse slaapmatten, heeft hij van ultradunne gebogen bamboestokjes constructies laten maken. Ze worden door spotjes in de vloer van onderen aangelicht en zorgen zo voor een onwerkelijke sfeer: het is alsof je naar geurende hologrammen kijkt, en niet naar een echt, filigraan bouwsel.

Boomtakken

Net zo betoverend is de bijdrage van de Chinees Li Xiadong. Alweer in een donkere zaal heeft hij een doolhof met wanden van boomtakken laten maken. Op de vloer liggen witte glazen platen die van onderen worden aangelicht. De tocht door het enge, donkere winterbos met witte ijspaden eindigt bij een grote, rechthoekige vlakte met keien, die door een spiegelwand veel groter lijkt dan hij is.

Ook Diébédo Francis Kéré, architect uit Burkina Faso met een bureau in Berlijn, maakte een ijselijk bouwsel. Bij zijn gotische iglo van witte plastic platen met gaatjes die gewoonlijk als isolatiemateriaal worden gebruikt, staan bakken met lange plastic rietjes die bezoekers overal in de wanden mogen steken. Zo krijgt het stralend witte bouwsel van Kéré, die altijd de toekomstige gebruikers van zijn gebouwen bij zijn ontwerpen betrekt, langzaam kleur en zal het aan het einde van de tentoonstelling een heel ander gebouw zijn dan bij de opening.

De Chileense architecten Mauricio Pezo en Sofia von Ellrichshausen, bekend onder de naam Pezo von Ellrichshausen, zijn de enigen op Sensing Spaces die iets hebben gemaakt dat op een echt gebouw lijkt. De vier dikke cilinders waarop een vierkant terras met hoge balustrades zijn een primitieve, houten versie van een klassieke tempel met Dorische zuilen. Via wenteltrappen in de cilinders kunnen de bezoekers naar boven waar de anders onbereikbare vergulde engelen en andere ornamenten bijna aanraakbaar zijn.

Maar hoe wonderlijk en prachtig ook, Sensing Spaces zal niet zo legendarisch worden als The International Style. De installaties lopen te zeer uiteen om een wending te geven aan de architectuur. Ze zijn het resultaat van de verbeeldingskracht van de deelnemers en zijn zo eerst en vooral kunstzinnige bouwsels, niet alleen zonder functie maar ook zonder lessen voor de architectuur. Wel laten ze zien hoe indringend een architectuurtentoonstelling kan zijn.