De klassieke vraagt doemt op: is dit kunst?

Zo zou Bert Mebius het vermoedelijk zelf hebben getekend. Een kunstcriticus, te herkennen aan een kaal hoofd en een studieuze blik, loopt een galerie binnen. Hij ziet de tentoonstelling van Bert Mebius en roept uit: ‘Net David Shrigley!’ – of zoiets. Nou ja, vermoedelijk had Mebius het beter gedaan, want deze criticus heeft niet de fantasie van de kunstenaar. Maar het beschrijft wel wat er gebeurde: de tentoonstelling van Mebius bij Galerie Stigter Van Doesburg doet meteen denken aan het werk van de Engelse, humoristische net-niet Turner Prize-winnaar van het afgelopen jaar. Net als Shrigley maakt Mebius schijnbaar simpele bijna alledaagse tekeningen die verdacht veel op cartoons lijken – en, anders dan bij Shrigley, gaat zeker de helft over de kunstwereld.

Dat is geen groot bezwaar, al is het voor het begrip van Mebius’ werk wel prettig als je enigszins bent ingevoerd. Neem deze: een simpel gelijnd velletje waarvan de linkerbovenhoek zwart is gekleurd. Daaronder een cartoonesk gezicht en de tekst: ‘Hogere wezens bevalen mij iets te doen wat al eerder was gedaan’. Zelf moest ik (vrij hard) lachen om deze verwijzing naar Sigmar Polkes klassieker ‘Höhere Wesen befahlen: rechte obere Ecke Schwarz malen!’ – vooral het feit dat Mebius vervolgens de linkerbovenhoek neemt.

Soms zijn ze ook meesterlijk: mijn favoriet is de tekening waarbij we twee mannen zien staan om een rechthoekig, roze-paars ‘gat’ in de grond (onmiskenbaar een verwijzing naar Anish Kapoor). Erboven staat de tekst: ‘Art is a deep deep hole you are in danger of falling into’. Zegt het linker mannetje: ‘It’s not a REAL hole’. Inderdaad, leuk.

Maar in die ironie zit ook de beperking: hoe meer tekeningen je ziet, des te beter je beseft dat dit typisch illustraties zijn in The New Yorker-traditie – niet voor niets publiceerde Mebius al in bladen als Kunstbeeld en Tubelight. Zo doemt dus al snel de klassieke vraag op ‘of dit nou eigenlijk kunst is’.

Ik denk van wel, maar wil Mebius echt goed worden dan zou ik nog wel iets meer van de verscholen wanhoop willen treffen die Shrigley zo prikkelend maakt. Dat is misschien niet leuk voor de kunstenaar, maar wel voor zijn publiek – en inderdaad, in die constatering zit vast ook nog wel een werk.