De comeback van een snelwegtoerist

Julio Cortazar: in het voetspoor van Kafka

Op een een van de literaire Das Magazin-avonden sprak Charlotte Mutsaers dusdanig enthousiast over een boek van Julio Cortázar, dat veel mensen het meteen wilden lezen. Helaas: het was niet meer in de handel. En dus moest er een nieuwe editie van Cortázars De autonauten van de kosmosnelweg verschijnen.


Maar wie was deze Cortázar? Pieter Steinz, voormalig chef Boeken van NRC Handelsblad, beschrijft hem in de leesgids Lezen &tcetera als volgt:

“In het voetspoor van Kafka specialiseerde Julio Cortázar zich vanaf zijn debuut Bestiario (1951) in wat hij ‘openingen naar de verwondering’ noemde: realistisch vertelde verhalen waarin het alledaagse leven op zijn kop wordt gezet door een absurd gegeven. In Cortázars wereld verandert een man in een klein reptiel, verstrikt iemand zich met dodelijke gevolgen in zijn eigen trui, raakt een jongen in paniek als hij konijntjes blijft braken en wordt het huis van een middelbare broer en zuster op een dag in bezit genomen door wildvreemden. Net als de door hem bewonderde Franse surrealisten hield (de voor de dictator Peron naar Parijs gevluchte) Cortázar van taalspelletjes en literaire experimenten. Zijn roman Rayuela: een hinkelspel (1963) bestaat uit min of meer losstaande hoofdstukken en is volgens bijgevoegde instructies vanaf hoofdstuk 73 als het ware hinkelend te lezen; zijn zwanenzang De autonauten van de kosmosnelweg (1986) gaat uit van een reis langs de parkeerplaatsen van de autoweg Parijs-Marseille. Cortázar werd wereldberoemd tijdens de Latijns-Amerikaanse boom van de jaren 60; zijn schijn-en-wezenverhaal Het speeksel van de duivel was de basis voor Michelangelo Antonioni’s filmthriller Blow-Up.”

De trailer van Blow-Up:

Das Magazin vat het boek als volgt samen:

“In 1982 maken Julio Cortázar en zijn vrouw Carol Dunlop een reis met één regel: bezoek alle vijfenzestig parkeerplaatsen tussen Parijs en Marseille zonder de snelweg te verlaten. De expeditie in hun rode Volkswagenbusje duurt een maand. Ze beschrijven elke parkeerplaats alsof ze ontdekkingsreizigers zijn die het nieuwe land en de daarbij behorende gebruiken in kaart brengen. Het resultaat is een aanstekelijke ode aan de weg, hun camper en elkaar – die nog meer gewicht krijgt doordat Cortázar en Dunlop niet lang na de reis overlijden.”

Een kleine tien jaar geleden schreef Ger Groot voor NRC Handelsblad een stuk over een heruitgegeven boek van Cortázar, getiteld De prijswinnaars:

“Het is bijna onmogelijk De prijswinnaars niet te lezen als een grote metafoor van het autoritaire Peronistische bewind, waarvoor Cortázar aan het begin van de jaren vijftig de wijk nam naar Parijs. Daarmee schaart het boek zich in de lange traditie van de Latijns-Amerikaanse dictatorromans, al blijft de onderdrukker anders dan in het genre gebruikelijk is onzichtbaar en draait het drama nu rond het onderdrukte volk, verdeeld tussen collaboratie en verzet.”

En van de hand van Piet Meeuse een stuk over de korte verhalen van de Argentijn:

“Ook Cortázar schreef romans, en niet zonder succes, maar net als Kafka bewees hij zijn meesterschap toch vooral in zijn verhalen die qua lengte kunnen variëren van een halve pagina tot de omvang van een novelle als De achtervolger.”