De bekering van een rouwdouwer

©

Ron Woodroof is zo’n man die pas ophoudt als hij neergaat. Met drank. Met drugs. Met vrouwen. En met leven. Dallas Buyers Club – nu genomineerd voor zes Oscars en bekroond met Golden Globes voor hoofdrolspelers Matthew McConaughey en Jared Leto – is zijn verhaal. En wat voor verhaal. Waargebeurd. Vol kattekwaad en met het soort catharsis waar Hollywood dol op is. Niet alleen komt de held tot inzicht, maar dat gebeurt ook nog eens zo vroeg in het verhaal dat wij als toeschouwers langdurig worden schoongewassen van onze eigen zonden.

McConaughey zet luie charme opzij om nare redneck te spelen

Woodroofs levensgeschiedenis is fascinerend. De Texaanse parttime elektricien en fulltime hosselaar was in de jaren tachtig een van de eerste bekende niet-homoseksuele aidsslachtoffers. Binnen een maand nadat hij zijn doodvonnis te horen had gekregen, begon hij illegaal AZT te gebruiken, waar toen net de eerste dubbelblinde onderzoeken mee werden gedaan. Daar werd hij nog zieker van, maar hij zette zijn eigen alternatieve medicijnsmokkel op. Woodroof was niet de enige. Deze zogeheten ‘buyers clubs’ hebben er in de begindagen van aids aan bijgedragen dat snel duidelijk werd dat AZT zeer giftig is, zodat er meer aandacht kwam voor alternatieven zoals DDC en combinatietherapieën.

Hoewel hiv natuurlijk de echte vijand is in deze film, hebben scenaristen Craig Borten en Melisa Wallack een slimme truc uitgehaald om de ziekte een extra gemeen gezicht te geven. Woodroofs grootste tegenstrever is namelijk de Amerikaanse Food and Drug Administration, die bepaalt welke medicijnen op de markt mogen worden gebracht. Het maakt van Woodroof een moderne Robin Hood die het opneemt tegen overheid en grootkapitaal (ook de farmaceutische industrie moet het ontgelden). Dallas Buyers Club is daarmee een verhaal dat perfect past in de Amerikaanse outlaw-mythologie. (Over hoe de homowereld in de jaren tachtig terugvocht, is vorig jaar trouwens de prima documentaire How to Survive a Plague gemaakt, inmiddels op dvd verkrijgbaar.)

De echte winst voor Woodroof ligt natuurlijk op het psychologische vlak. En daar wordt Dallas Buyers Club behalve een bijdehante en spannende ook een doorvoelde film. Dat de rouwdouwer zich uit eigenbelang en een door egoïsme gedreven rechtvaardigheidsgevoel als pillensmokkelaar ontpopt, is één ding. Maar hoe er vanuit dat egocentrisme een gevoel van solidariteit ontstaat is dramatisch natuurlijk interessanter.

Overtuigend vervelend

Daarvoor moet behalve het zelfverzekerde maar relaxede scenario dat nooit te didactisch wil zijn, ook hoofdrolspeler Matthew McConaughey worden geroemd. Niet omdat hij tientallen kilo’s afviel voor de rol. Dat is tegenwoordig Hollywoodfolklore. Maar omdat hij al zijn gebruikelijke luie charmes opzijzet om een onaangenaam personage te spelen. Want Woodroof mag dan wel de held zijn, hij is ook homofoob, misogyn, grof – een vervelende redneck in hart en nieren kortom. Dronken of stoned is Woodroof zo overtuigend vervelend dat hij echt het medelijden van de toeschouwer moet winnen. En dat gebeurt als hij om anderen gaat geven. Niet uit eigenbelang. Niet omdat er geld te verdienen is met die medicijnenbusiness (want Woodroof verdient aan de dood; die schaduwzijde wordt niet genegeerd). Maar omdat hij mensen ziet die net zo ziek en wanhopig zijn als hij.

Als hij samen met transgendervrouw Rayon (Leto) in de supermarkt zijn oude maat tegenkomt en hem dwingt haar met respect te behandelen, is Woodroof nog tot in elke porie dezelfde lomperik, maar nu eentje die iets meer van de nuances van het leven begrijpt; een outcast die sympathiseert met andere outcasts. En dat past gek genoeg precies in zijn rare, rechtlijnige wereldbeeld, waardoor de film nergens te Hollywoodachtig wordt en Woodroof net zo’n aanstekelijke oplichter is als Leonardo DiCaprio in The Wolf of Wall Street en Christian Bale in American Hustle. Dat wordt nog wat bij de Oscars.