Bevrijde Britse kunst

Een medewerker van Tate Britain op de nieuwe wenteltrap in het museum. Foto Reuters

Het eerste wat opvalt in het gerenoveerde Tate Britain is het daglicht. Het verlicht de enorme beelden van Henry Moore, waarvoor de vloeren van het museum werden versterkt. Het creëert doorkijkjes in het café, dat altijd naargeestig was. En het stroomt binnen via het koepeldak boven een prachtige spiraalvormige trap, het nieuwe middelpunt van het Londense museum.

Twee jaar lang was Tate Britain deels dicht voor een grootscheepse, 45 miljoen pond (53 miljoen euro) kostende renovatie. Alle zalen, inclusief ruimten die al decennia dicht waren voor publiek, zijn nu weer open. En het resultaat van de verbouwing stemt meer dan tevreden.

Tate Britain is niet langer het ondergeschoven kindje in de Tate-groep. De afgelopen jaren ging de aandacht vaker naar de nieuwe Tate Liverpool (geopend in 1988, verbouwd in 2007), de Tate St Ives in Cornwall (1993) met de bijzondere beeldentuin van Barbara Hepworth, en natuurlijk Tate Modern (2000), het best bezochte museum voor moderne kunst ter wereld. Terwijl die musea hun oorsprong hadden in de Tate aan de noordoever van de Theems.

„Misschien dat onze ingang, met de nieuwe wenteltrap, niet hetzelfde ontzag zal inboezemen als de Turbine Hall van Tate Modern. Maar het karakter van het gebouw uit 1897 is terug”, zegt directeur Penelope Curtis. De opdracht aan architectenbureau Caruso St John was om het gebouw te ontdoen van „de extra lagen die waren binnengeslopen”. Daardoor had de Tate bijna „een gemeentelijk imago” gekregen.

„In de jaren zestig schaamde men zich voor het gebouw”, beaamt architect Adam Caruso. Plafonds waren verlaagd, tussenmuren neergezet. De enige reden dat de oorspronkelijke façade van architect Sidney Smith nog bestond, was omdat een plan om het hele gebouw te slopen voor zo’n ophef zorgde dat er maar een nieuwe vleugel aan het museum werd gebouwd. „Smith was geen bijzondere architect; in plaats van een pretentieus gebouw maakte hij iets waar de collectie op z’n mooist te zien zou zijn. Nu waarderen we dat”, zegt Caruso.

Volgens directeur Curtis is dankzij de renovatie „de logica” van het symmetrisch opgezette gebouw terug. Dat is eveneens te danken aan de nieuwe indeling van de Tate. Het museum is niet alleen gerenoveerd, maar de schilderijen zijn ook verhangen. Kunst is niet langer gegroepeerd rond een thema (landschappen of Tudors), maar wordt chronologisch gepresenteerd.

Dat geeft een helder idee van wat Britse kunst nu eigenlijk was en is. De zalen beginnen in 1540 met portretten van de Duitser Hans Holbein, met wiens komst de renaissance- en ezelkunst in Engeland begon. Via zo’n tweehonderd andere werken eindigt de tentoonstelling met het schilderij 10 pm Saturday van Lynette Yiadom-Boakye, dit jaar genomineerd voor de Turner Prize.

Curtis zegt: „Omdat we een eiland zijn, is de Britse kunst misschien geconcentreerder dan elders. We kunnen laten zien hoe generaties elkaar beïnvloeden; het is niet langer een mengelmoes.”

Dus hangen tijdgenoten William Hogarth (Selfportrait with pug, 1745) en Thomas Gainsborough (Wooded Landscape, 1747) voor het eerst naast elkaar. Staat een bijzonder kamerscherm van Francis Bacon in de zaal over het jaar 1910, terwijl zijn drieluik Three Studies for Figures at the Base of a Crucifixtion, waarmee hij in 1944 doorbrak, enkele zalen later te zien is tussen kunst uit de Tweede Wereldoorlog. Alleen Henry Moore, die een groot deel van zijn werk aan de Tate schonk, en JMW Turner en William Blake, wiens collecties in het bezit zijn van het museum, kregen een eigen ruimte.

De grootste zaal is bestemd voor het fundament van Tate Britain: de Victoriaanse werken van suikermagnaat Henry Tate. Hij stichtte in 1889 de Gallery of British Art omdat er in de National Gallery aan Trafalgar Square geen ruimte was voor zijn 65 „kunstwerken uit het heden”.

De chronologische indeling werkt goed. Tate Britain vertelt zo het verhaal van moderne kunst (Henry Tates oorspronkelijke doel), in plaats van de ontwikkeling van kunstenaars. Bewust kiest het museum er ook voor spaarzaam uitleg te geven. Dat werkt volgens het hoofd collecties „bevrijdend”: ieder kan zijn eigen interpretatie geven.

Alleen kunst vanaf de jaren tachtig komt er bekaaid af. De jaren zeventig en tachtig zijn in één zaal te vinden, de Brit-Art van de jaren negentig (Tracy Emin, Damien Hirst) krijgt een kleine zaal, idem de hele eenentwintigste eeuw. Daarvoor moet de bezoeker toch naar Tate Modern, waardoor je in Tate Britain het gevoel behoudt dat contemporaine kunst wordt afgeraffeld. Maar „de renovatie gaf het museum niet meer ruimte”, zegt Curtis. „Alleen een betere manier om kunst te tonen.”

Eén vleugel van het museum moet nog verbouwd. Curtis belooft echter dat er even wordt gepauzeerd. „Het publiek is geduldig geweest. Nu moet men kunnen genieten van Tate Britain.”