‘Soms moet het met sm, soms is dat niet nodig’

Paranoia. Claustrofobie. Sadomasochisme. Films van de nu tachtigjarige Poolse meester Roman Polanski bevatten op zijn minst een van die elementen. In Venus in Fur, vrij naar Leopold von Sacher-Masochs gelijknamige sm-novelle uit 1870, kletst slechts een denkbeeldige karwats, maar komt de laars van glimmend leer wel degelijk te voorschijn.

Het speelt zich af in een klein theater, waar een regisseur na een dag vol hopeloze audities („tegenwoordig praten alle vrouwen als meisjes die helium hebben ingeademd”) op het punt staat naar huis te gaan. Tot op de valreep Vanda binnenloopt. Te ordinair om de formidabele, wrede dominatrix te spelen die hij zoekt, of toch? Zo begint een strijd tussen de seksen waarin realiteit en spel, onderwerping en dominantie elkaar afwisselen.

Opnieuw een bewerkt toneelstuk dat zich in één ruimte afspeelt, zoals Carnage (2011) of Death and the Maiden (1994). „Ik hou nu eenmaal van theater”, zegt Polanski. „Ik voel me thuis bij die geur, die atmosfeer, dat licht. Als 14-jarige jongen kreeg ik de hoofdrol in het Russische toneelstuk Zoon van het Regiment. Het werd een fantastisch succes, ze droegen me op handen. Maar een leermeester, Wladyslaw Jarema, vond dat ik in te veel verschillende dingen geïnteresseerd was en regisseur moest worden. Anders was ik misschien bij het toneel gebleven.”

In Cannes, waar Venus in Fur in competitie is, oogt Roman Polanski in zijn hagelwitte pak buitengewoon vitaal. Een alerte charmeur met fonkelogen die door zijn slepende dictie en Poolse accent altijd wat tipsy klinkt. Gistermiddag joeg hij het vrouwelijk deel van de filmpers nog op de kast door in zijn persconferentie te stellen dat gelijkheid der seksen dodelijk saai is en de pil vrouwen veel te masculien maakt: „Dat jaagt alle romantiek uit ons leven.”

Roman Polanski kan in feministische en Angelsaksische kringen toch al weinig goeds doen. Daar blijft hij de nimfenjager die de 13-jarige Samantha Geimer verkrachtte: nog in 2011 probeerde Amerika hem uitgeleverd te krijgen voor die strafzaak uit 1977. Het is een van de vele rare wendingen in het leven van het spichtige Joodse jongetje dat de naziterreur in Polen overleefde – zijn moeder stierf in Auschwitz – en met zijn filmdebuut Knife in the Water (1962) al meteen een Oscarnominatie kreeg. Gevierd in Hollywood om zijn morbide thrillers Repulsion en Rosemary’s Baby werd zijn hoogzwangere echtgenote Sharon Tate in 1969 vermoord door leden van de drugssekte van Charles Manson; de pers verdacht aanvankelijk de radeloze Polanski.

Nu woont hij al decennia in Frankrijk: een respectabel lid van het Legion d’honneur en getrouwd met actrice Emmanuelle Seigner, die de hoofdrol speelt in Venus in Fur. In de film dwingt zij als actrice een regisseur, gespeeld door Polanski’s evenbeeld Mathieu Almaric, als macho en control freak diep in het stof. Polanski heeft de reputatie op de filmset beide te zijn: aan zelfspot ontbreekt het hem niet.

De liefde is een strijd tussen de seksen, en de vrouw wint.

„Ja, en zo is het toch meestal? Dit is een film over seksisme die de kant van de vrouw kiest zonder feministisch te zijn.”

Is de relatie tussen regisseur en acteur überhaupt sadomasochistisch?

„Soms. Ik ben een filmmaker en wil een resultaat bereiken. Wat het best werkt bij een bepaalde acteur of actrice, dat gebruik ik. Soms is dat sm, soms is dat niet nodig, zoals bij de opname van deze film. Ik heb persoonlijk trouwens niets met de wereld van sm en bondage. Ik vind dat een vreemd en komisch toneelspel.”

Twee acteurs lijkt me veel minder vermoeiend om mee te werken dan een ensemble.

„Natuurlijk. Als je ruzie schopt kan je dat beter met twee mensen doen dan met een menigte.”

Was er ruzie op de set dan?

„Nee, nee, nee! Maar acteurs hebben altijd andere ideeën dan jij. En twee mensen met je camera volgen is simpeler dan vijftien man die op de juiste plek moeten staan en stuk voor stuk goed moeten acteren.”

Is uw houding tegenover acteurs veranderd?

„Ja, ik heb veel meer respect voor ze dan vroeger. Ik werk ook met steeds betere acteurs, toen ik begon kon ik mij die niet veroorloven. Al zijn goede acteurs vaak lastpakken. Maar dit was een heel gemakkelijke klus. Zo’n film waarbij de acteurs door het materiaal heen vloeien en ik gewoon achterover kon leunen. Ik las het script vorig jaar in Cannes, rond Kerstmis begonnen de opnames en een half jaar later was de film al klaar. Dat zegt genoeg.”

Zijn er complicaties bij het regisseren van uw eigen vrouw?

„Het is een beetje ingewikkeld, want thuis ben je nog niet van haar af. Als iets je niet bevalt, moet je dat heel politiek brengen, weet u.

„Grappig genoeg was Emmanuelle in het begin helemaal niet happig op deze rol. Ik kreeg het script vorig jaar dus van mijn agent, toen Cannes de gerestaureerde versie van mijn film Tess vertoonde. Ik had niks beters te doen, ging lezen en wist direct dat ik dit wilde doen. Maar Emmanuelle vond het niet visueel, misschien omdat Franse actrices audities doen in kale lokaaltjes. Met een goedgebruikte sofa, dat wel. Ze zag de film niet voor zich, maar ik zei: laat dat nou maar aan mij over.”

U overwoog niet zelf de hoofdrol te spelen?

„Geen moment. In The Tenant gaf ik mijzelf in 1976 de hoofdrol. Niemand kwam kijken. Dat was leerzaam.”

Acteur Mathieu Almaric lijkt sprekend op u. En eindigt in travestie, zoals u in ‘The Tenant’.

„Allemaal toeval. Ik leerde Mathieu kennen via Steven Spielberg. Die nam in Parijs toen zijn film Munich op en zei: ken je Mathieu niet? Maar dat is de beste acteur van Frankrijk! Matthieu vertelde mij meteen: iedereen zegt dat ik zo op u lijk. Maar dat speelde geen rol in de casting.”

Wat trok u in ‘Venus in Fur’?

„De uitdaging een film te maken over twee mensen in één ruimte zonder dat u zich suf verveelt. Mijn debuut Knife in the Water ging over drie mensen op een boot, mijn film Carnage ging over vier mensen in een huiskamer. Twee was een nieuwe uitdaging. Als er geen verborgen vijand in een script zit, raak ik verveeld. Ik hou van obstakels, daarom blijf ik films maken.”

Survivalfilm ‘All is Lost’ heeft één personage, Robert Redford. De volgende stap voor u?

„Zoiets interesseert mij niet. Twee is goed, want dan heb je een conflict. Met één personage wordt het masturbatie.”

In uw film imiteert het leven de kunst en andersom, personages worden hun rol …

„Fictie en realiteit lopen toch steeds meer door elkaar? Kijk naar televisie: nieuws wordt gepresenteerd als drama. Tegelijk probeert fictie er als realiteit uit te zien. Ze schudden met de camera, zoomen in en uit focus, acteren steeds realistischer, gebruiken echte beelden. Alles smelt in elkaar over, en ik denk niet dat het gezond is. Kinderen moeten weten waar de realiteit eindigt en de fictie begint.”

Hoe drukt u uw eigen stempel op een toneelstuk als ‘Venus in Fur’?

„In een film staat niets los van je eigen ervaring. Je beweegt de camera op een bepaalde manier en daar is een reden voor, al ken je die niet precies. Toch ben ik ook niet meer dan een loodgieter die de losse delen in elkaar schuift. Het is heel vleiend dat u mij vraagt waarom de film er zo uitziet, maar iemand anders schreef het script, verzon die prachtige belichting en die muziek.”

Mist u films met grote budgetten niet?

„Niet op dit moment. Dat lawaai en die pure wreedheid, de explosies, geweren, auto’s die botsen, gebouwen die instorten en kelen die worden doorgesneden … Ga je naar de bioscoop, dat is na twee filmtrailers alle energie al uit je lijf gezogen. Ik maak liever Venus in Fur.”

Is sekse belangrijk in uw …

„Seks? Enorm belangrijk! Praat met mannen van 16 tot 30: die denken de hele dag alleen maar aan neuken. Of neem de uitvinding van aids: die heeft de samenleving fundamenteel veranderd, en niet ten goede. De uitvinder moet streng worden bestraft. Als seks levensgevaarlijk wordt, verandert dat relaties, mode, de toon van elk debat. Wie begon er trouwens over seks?”

Uzelf.

„Nee nee nee, iemand anders …”

Wat wilt u nog graag doen?

„Ik werk nu aan een speelfilm over de Dreyfusaffaire. Dat is heel relevant met het opkomende antisemitisme in Frankrijk. Ik werk met Robert Harris, die er een boek over publiceerde.”

Dat wordt een epische, grote film dus.

„Toen het Franse leger Dreyfus’ epauletten afscheurde, stonden er tienduizenden mensen ‘dood die Jood’ te schreeuwen. Dus ja. Mijn vader zei vlak na de oorlog: ‘wacht maar, over vijftien jaar beginnen ze gewoon helemaal overnieuw.’ En ik zei: ‘jij bent echt een oude Jood, veel te pessimistisch.’ Ik ben bang voor antisemitisme, maar ik ben ook een optimist die altijd een oplossing ziet. Anders zat ik hier niet.”