Column

Simone De banaliteit van een maandag

Nadat ik in deze krant had gelezen dat Blue Monday slechts een commercieel bedenksel is (wat ik al had kunnen weten omdat het immers maar één dag per jaar betreft en marketing baat heeft bij de pretentie van schaarste, terwijl het gewone leven meestal in het teken staat van banale herhaling), begon ik de dag zonder excuus voor tegenzin en ging ik hardlopen in de regen.

Doorweekt kwam ik terug, greep de krant (de papieren variant) mee van de trap en snelde naar boven om er daar achter te komen dat ik de verkeerde sleutel bij me had: twee keer de benedendeur.

De buurman die mijn sleutel heeft, gaf niet thuis en dus rende ik weer naar buiten, twee straten verder, naar de vriendin die ook mijn bijna buurvrouw is. Ik belde aan – kort kort kort lang lang lang kort kort kort – tot de voordeur van het flatgebouw openzoemde. Vol goede hoop (Blue Monday is bullshit!) schoot ik naar boven, naar haar deur waar ik klopte en riep totdat niet zij, maar haar buurjongen naar buiten kwam. Het duurde even voor hij door had dat het licht was – geen nacht, maar ochtend en dat het calamiteitenalarm van een hardloopster met knalrood hoofd kwam. Hij bood me zijn telefoon, een Nokia 3310 zonder 3G. Ik zocht naar een nummer dat ik uit mijn hoofd kende en na een keten van rondbellen was mijn vriendin met de sleutel gelokaliseerd: ze bleek aan het werk, in de keuken van een eetcafé aan de andere kant van de stad.

De buurjongen was inmiddels gedoucht. Hij zei dat het lang geleden was dat hij zich niet had verslapen voor een sollicitatie en gaf me een paar euro voor de tram. „Je ziet blauw”, zei hij, en bood me een trui aan. In een knalgele oversized MICHIGAN-trui die naar diepe slaap rook en met een al uitgelezen krant, stapte ik drie keer over – net binnen het uur op één tarief. Aangekomen op het werk van mijn vriendin leken de reservesleutels schrikbarend veel op de verkeerde sleutels die ik al bij me had en met die kwijnende hoop keerde ik terug.

Weer thuis kreeg ik de deur niet open, mijn vingers waren tot ongevoeligheid bevroren.

„Zal ik even helpen?”

Het was mijn buurman, de buurman met de sleutel. Hij bleek al die tijd thuis aan het werk, met zijn koptelefoon op had hij geen SOS gehoord. „Je slot is wat star. Wacht.” Hij spoot er olie in.

Het zoveelste kleine gebaar dat meer was dan banaal.