Seneca hoefde geen toetsingscommissie

De euthanasiewet is inderdaad uit de rails gelopen, zoals Boudewijn Chabot op 15 januari betoogde in NRC. Maar de ontsporing is niet, zoals hij beweert, gevolg van een ‘weeffout’: het rijdend materieel deugt gewoon niet. Artsen die de wet gewetensvol toepassen, lopen nu aan tegen ingebouwde tekortkomingen. Ook bij anderen dan geesteszieken is het namelijk niet uit te maken of een patiënt uitzichtloos en onverdraaglijk lijdt. Oud-minister Borst mag indertijd verzucht hebben ‘es ist vollbracht’, maar nu blijkt dat de regeling, waarmee Nederland even voorop liep, achterhaald is.

Dat euthanasie tot een medische handeling is gemaakt, waarbij artsen moeten beoordelen of andermans leven tot zijn eind mag komen, is een fundamenteel onjuiste beslissing. In Zwitserland stellen artsen zich op het principiële standpunt dat hulp bij zelfdoding uit welk motief ook geen geneeskundige handeling is. Door dit laconieke standpunt hebben ze de weg vrijgemaakt voor de assistentie van willige leken bij levensbeëindiging. In ons land moeten helpers van De Einder en van de Levensbeëindigingsklinieken steeds hun handen thuishouden, anders overtreden ze artikel 294.2 van het Wetboek van Strafrecht, die hulp bij zelfdoding strafbaar stelt. Gerard Schellekens, de motor van de Stichting Vrijwillig Leven (SVL), heeft zijn assistentie met een veroordeling moeten bekopen.

Artikel 294.2 WvS is een bizarre bepaling, want zelfdoding – dat wil zeggen een poging daartoe – is niet strafbaar. Dat was in het (christelijke) Europa van het ancien régime anders, maar de Franse Revolutie seculariseerde ook in dit opzicht het recht. Staten waaraan de Verlichting voorbijging, behielden nog lang strafbepalingen tegen ‘zelfmoord’, in Groot-Brittannië tot 1961, in Ierland zelfs tot 1993. Ter vergelijking: men stelle zich voor dat inbraak of een poging daartoe strafvrij is, maar hulp daarbij wel. De vrijzinnige rechters van midden negentiende eeuw zagen de absurditeit en handelden volgens dit inzicht in de zaak Dettemeijer: deze militair had met de geliefde, die niet zijn echtgenote mocht worden, een zelfdodingspact gesloten. Voor haar was het gif dodelijk, maar hij overleefde. Hij werd toen voor moord aangeklaagd en in eerste aanleg ter dood veroordeeld, maar het Hoog Militair Gerechtshof sprak hem vrij op grond van de redenering: als zelfmoord niet strafbaar is, kan hulp bij de niet-strafbare handeling dat ook niet zijn.

Pas het zedelijk offensief van eind negentiende eeuw voegde het Fremdkörper van artikel 294.2 toe aan het Strafrecht. De motivering was puur ethisch: eerbied voor het leven als zodanig.

Zoals een classicus betaamt, zoek ik steeds mijn horizonverbreding in de Grieks-Romeinse oudheid. Deze kent ‘zelfmoord’ als woord noch begrip. De beide klassieke talen spreken van ‘vrijwillige dood’, mors voluntaria in het Latijn. Alleen de term al maakt duidelijk dat het individu het volste recht had om over het eigen leven te beschikken. Soms werd daarbij een arts gevraagd om technische assistentie te verlenen. Zo kreeg Seneca in 65 N.C. door een geneesheer het vergif aangereikt dat de Atheners bij executies gebruikten. Door dolle kervel te slikken maakte de stoïsche filosoof zich gelijk aan zijn grote voorbeeld Sokrates. Bij de eed van Hippokrates (die alleen in de school van deze geneesheer in gebruik was) zwoer de arts niet, zoals vaak wordt beweerd, dat hij geen hulp zou bieden bij zelfdoding. Hij beloofde slechts zich niet te lenen voor gifmoord op aanstichten van een derde. Dat was een hele geruststelling voor de patiënt die hem inhuurde.

De antieke arts was dus niet door de wet aangesteld als de rechter over de dood. Hij was niet meer dan het instrument van de wil van het individu. Heel vaak ging het om lichamelijk lijden dat de betrokkene zelf onverdraaglijk vond. Bejaarde mensen kozen nogal eens voor versterving, inedia in het Latijn, afvalvolharding (apokarterèsis) in het Grieks.

Terecht wees Chabot op deze klassieke exit waarbij de levensbeëindiger zelf de regie in handen houdt en zich dus niet onderwerpt aan de (medische) buitenstaander. Door de wettelijk opgelegde medicalisering van de euthanasie loopt men aan tegen grenzen, die behandelende psychiaters volgens Chabot overschreden hebben. Alleen het individu dat dood wil is echter bevoegd. Ook de man die het na zijn pensionering niet meer zag zitten, had het recht op de eigen dood. Maar waarom moest hij als psychiatrische geval euthanasie krijgen? In het ‘klassieke’ model vraagt hij een arts hoogstens om het beste middel. Die heeft als vrij mens natuurlijk het volste recht om advies te weigeren, net zoals de winkelbediende in de ijzerhandel misschien geen touw verkoopt als de klant aangeeft dat hij zich ermee wil verhangen.

Al 45 jaar geleden toen het thema zelfdoding in de oudheid me begon te pakken, hield ik ergens in Drenthe een lezing. In de pauze kwamen artsen naar mij toe om te zeggen: ‘Ach, meneer, we hebben altijd geholpen. Je laat je patiënt op het einde toch niet in de steek.’ Is een euthanasiewet die alles probeerde af te regelen, achteraf gezien wel zo’n zegen?

Als we medici nu eens bevrijden van hun benauwende ethische verantwoordelijkheid en hun bij euthanasie de klassieke taak laten desgewenst de geëigende middelen te gebruiken?