Mark Manders zet de tijd stil

De tentoonstelling ‘Acolyte Frena’ van Mark Manders in De Vleeshal in Middelburg

Ook niet aardig, denk je bij de tentoonstelling Acolyte Frena van Mark Manders. Het eerste en enige wat je vanaf binnenkomst in de Vleeshal ziet is een strenge witte muur van gipsbeton. Voor een kunstenaar die al bijna dertig jaar werkt aan een ‘zelfportret als gebouw’, lijkt dit geen beeltenis van een vriendelijke man. Maar wacht. Om de hoek zit een ingang die toegang biedt tot twee kamers. De een is een kale tentoonstellingsruimte met één mensvormige sculptuur, wat een prachtig sereen effect oplevert. De andere is een nagebouwd atelier dat beter nog dan eerdere presentaties toont wat hij bedoelt met dat gebouwde zelfportret: een inkijkje in zijn brein.

En dat blijkt gevuld met sculpturen, gereedschappen, schroeven, tape, houten planken die tegen de muur leunen, alhoewel... ze zweven (door onzichtbare stalen kernen die ze in balans houden). Ook de rest is onwerkelijk: een dom campingstoeltje blijkt minutieus handgemaakt, de beelden van natte klei drogen niet – gemaakt van epoxyhars dat vers blijft, de tijd stil zettend. Het oudheidkundige beeld in de soloruimte is van nu, en leunt tegen een stoelzitting van dunne kranten. Nee deze werkelijkheid klopt niet – uiteraard niet. We zitten hier immers in iemands brein. Daarin vormen al die objecten – muizen, workmates, foto’s van ouder werk – een gedachtestroom van een beeldhouwer die van het een naar het ander associeert. Alsof je in een droom belandt. Zijn droom. In zijn hoofd.

Manders’ derde solotentoonstelling in Nederland doet denken aan zijn presentatie vorig jaar op de Biënnale in Venetië – ook onder curatorschap van Vleeshaldirecteur Lorenzo Benedetti. Hier staat een kleiner zusje van het gelaagde portret, dat nu nog meer een zelfportret lijkt van iemand die zijn denken opdeelt in objecten. Ook slingeren de kranten rond waarmee hij het Venetiaanse paviljoen had afgeplakt wat er de deftige randjes afhaalde – ‘jongens, we zijn nog even aan het klussen’. Dat pretentieloze heeft een zekere charme. Het relativeert de mystieke zwaarte. Er ligt bouwplastic op de grond, tegelijk is al die nonchalance zorgvuldig uitgedokterd. Dat verfrommelde zakdoekje? Geen toeval. Die theezakjes? Jeugdherinnering. Samen vormen ze stillevens, die vroeger geschilderd werden, een van de manieren waarop Manders de kunstgeschiedenis naar voren haalt. Tussen de expres datumloze kranten liggen een boek van Piero della Francesca en een ansicht van De Chirico, illusionisme en surrealisme toevoegend. Zo vallen het nu en de eeuwigheid samen.

Dit moet voor een kunstenaar ideaal zijn, een sacrale exporuimte en werkplek ineen. Ook voor de kijker is het ideaal. Het heeft de schoonheid van zijn Venetiaanse presentatie maar kleiner, intiemer, in samenspel met de gotische architectuur van de Vleeshal. De middeleeuwse gehavende beelden kijken toe op Manders’ al even kwetsbare sculptuur – prachtig. Daarnaast gunt hij ons met wat ruwe schetsjes een blik in de toekomst: een daarvan zou zomaar een nieuwe sculptuur kunnen worden. Wat was die afwerende witte muur misleidend. Het is Manders’ schedelwand en open voor publiek.