Het leger maakt in de verre toekomst nog steeds een man van je

In de toekomst heeft de aarde een invasie van Formics afgeslagen, een buitenaardse insectenzwerm. Tieners, die complexe data razendsnel verwerken, gaan voorop in de strijd, op afstand gemanipuleerd door digibete ouderen. In een om de aarde cirkelend ruimtekamp moet de jonge Ender Wiggins door videogames bewijzen dat hij De Ene is: het genie met de ideale combinatie van intelligentie, agressie en empathie om de oorlog te winnen.

Gebaseerd op de sf-roman van aartsreactionair Orson Scott Card, herinnert Ender’s Game aan Harry Potter. De actie speelt zich af in een – gemilitariseerde – kostschool, met teams, een rivaal, een bovenmeester en het meisje. Je bewijst je met sport – gewichtloos paintball – en aan het eind is er een pittig examen: hier Formics, geen Voldemort.

Nu is Zweinstein ook een verhuld ‘boot camp’: het draait om opleiden en disciplineren. Zoals in rekruteringsfilms die in Hollywoodstijl in de jaren veertig tot bloei kwamen, toen de slapende reus Amerika zichzelf herontdekte als militaire wereldmacht. In zo’n film kneedt een grofgebekte maar goedhartige drilsergeant – liefst John Wayne – een groep egocentrische papkinderen om tot vechtmachines. In het peloton staat een geboren leider op die een zwakte overwint bij zijn vuurdoop in de heuvels van Korea of het zand van Iwo Jima.

Het leger maakt een man van je: de notie raakte in de jaren zestig zo in diskrediet dat militaire training nog hooguit komedies kon opleveren. Tot de jaren tachtig, toen Amerika zich moreel herbewapende onder Reagan en de rekruteringsfilm een kleine comeback beleefde. Zo stapte Clint Eastwood in Heartbreak Ridge (1986) in de schoenen van John Wayne en maakte van defaitistische slampampers echte mariniers. Maar om jongens van het Ik-tijdperk te boeien, verschoof het perspectief naar de rekruut. Een dwarsligger en rebel; zijn branie botst op de bureaucratie en na een gezagscrisis stapt hij bijna op. Dan past hij zich toch aan, verdient het schoorvoetende respect van zijn – vaak zwarte – drilsergeant, wint met onorthodox lef een gevecht en krijgt het meisje. Zie Tom Cruise, die als piloot Maverick in Top Gun (1986) zieltjes won voor de marine.

In zijn Vietnamfilm Full Metal Jacket zette Stanley Kubrick in 1987 dat schema – het leger maakt een kerel van je, zo blijkt op het slagveld – op zijn kop: mannen worden er tot monsters gemaakt. Paul Verhoeven ontmantelde het genre via een hyperbool: zijn Starship Troopers (1997) toont een nazistaat waarin onbenullige soapsterren zich blij laten drillen tot kanonnenvoer in een oorlog tegen afzichtelijke insecten.

In Ender’s Game is de vijand een zwerm buitenaardse sprinkhanen. De film liep in in de VS matig, mogelijk omdat de kille strateeg Ender (Asa Butterfield) de innemende zwaktes van Harry Potter mist. Hij is een solistische gamer die danst aan de touwtjes van commandant Harrison Ford. Enders conformisme en ambitie vallen wellicht slecht bij tieners, die sinds Tom Cruise gewend zijn aan pseudorebellen in uniform. Jammer, want Ender’s Game biedt sciencefiction met een duistere ondertoon waarin het gezag genocidaal blijkt. Ook insecten moet je liefhebben: meer een boodschap voor de zondagschool dan voor boot camp.