Het epos heeft de toekomst, ook in de bioscoopzalen

Opvallend veel filmmakers laten zich momenteel weinig gelegen liggen aan conventionele lengtes voor bioscoopfilms en durven te experimenteren met de tijdsduur van hun films. Die andere Heimat, het late meesterwerk van Edgar Reitz, dat deze week in de bioscoop komt, heeft een krappe vier uur nodig, maar dat is precies de juiste lengte. Elke minuut telt. Dat geldt ook voor de drie uur die Abdellatif Kechiche gebruikte voor La vie d’Adèle. Lars von Trier zwabbert in verschillende versies tussen de vier uur en vijf en half uur voor Nymphomaniac.

Hoe langer, hoe serieuzer. Het vooroordeel dat een lange film per definitie meer cultureel cachet heeft dan een korte film is niet van vandaag of gisteren. De associatie van een korte tijdsduur met de tweede garnituur stamt uit de tijd dat er nog B-films werden vervaardigd, die in combinatie met een hoofdfilm in de bioscopen kwamen. Die hoofdfilm was duurder, belangrijker en ook langer. De B-film beperkte zich tot een minuut of tachtig, al was het maar vanwege het karige budget. Tijdsduur zegt veel over de intentie waarmee een film zich aan de wereld presenteert: serieus of minder serieus, kunst of vermaak.

Dat Alfonso Cuarón in zijn ruimtefilm Gravity genoegen neemt met 90 minuten is een grote uitzondering in het huidige speelveld van opgeblazen blockbusters zoals The Hobbit 2 (161 minuten). Met die korte tijdsduur geeft Cuarón blijk van een fris gebrek aan pretentie: zijn film is vooral een kermisattractie, zij het wel op het hoogste technische niveau uitgevoerd.

Andersom kan ook: Martin Scorsese wist zijn The Wolf of Wall Street met veel pijn en moeite van een eerste versie van vier uur in de montage terug te brengen naar drie uur. Nog steeds lang. Die lengte duidt op een filmmaker die een statement wil maken: The Great American Film. Maar of de film – die met zijn opeenstapeling van bacchanalen gevaarlijk dicht in de buurt komt van The Hangover – dat ook kan dragen?

Een goede film is nooit te lang. Dus als een film te lang lijkt moet er iets anders aan de hand zijn: de regisseur valt in herhalingen, slaat nodeloze zijpaden in, of het onderwerp staat niet in verhouding tot de tijd die de film ervoor neemt.

Helemaal nieuw is het natuurlijk niet dat filmmakers graag experimenteren met lengtes. De conventies en commerciële belangen van het bioscoopbedrijf dicteren immers vaak de filmlengtes, niet de artistieke noodzaak. Maar de ruimte voor experiment lijkt wel te zijn toegenomen. De vele goede televisieseries hebben de laatste jaren bewezen dat er behoefte bestaat bij kijkers aan lange, uitgewerkte, complexe verhalen. En ook al maken de meeste uitgesponnen films hun lange tijdsduur niet waar – de doorslag moeten die twee of drie uitzonderlijke films geven die daar wel in slagen. Daarvoor is nu gelukkig wat meer plaats in de bioscoop – met dank aan de hete adem in de nek van al dat concurrerende televisiedrama.