Energiekosten prijzen Europa uit de markt

Europa is te duur. In vergelijking met de belangrijkste handelspartners in de rest van de wereld zijn de energieprijzen te hoog geworden. Europa loopt nu nog voorop qua export van energie-intensieve goederen. Maar het verschil met de rest van de wereld wordt steeds kleiner. Een deel van de Europese industrie vertrekt liever naar de opkomende economieën.

Dat stelt de Europese Commissie in een vandaag gepubliceerd voorstel dat deel uitmaakt van het energie- en klimaatbeleid tot 2030. Om de Europese concurrentiepositie te verbeteren moet haast gemaakt worden met het in werking stellen van de interne Europese energiemarkt, schrijft de Commissie. Liefst nog in 2014, zoals de lidstaten hadden afgesproken. Bovendien moet de energie-infrastructuur aanzienlijk verbeterd worden zodat alle lidstaten actief kunnen zijn op die interne markt.

Voor gas betaalt de Europese industrie op dit moment gemiddeld drie tot vier keer meer dan de concurrentie in de Verenigde Staten, India en Rusland. Alleen de Japanse industrie is duurder uit. Als het om elektriciteit gaat moeten de industriële producenten in Europa twee keer zoveel betalen als hun concurrenten in de Verenigde Staten en Rusland. In China draaien de fabrieken op stroom die 20 procent goedkoper is dan die in Europa. Ook elektriciteit is in Japan het duurste.

De relatief hoge prijs die in Europa voor elektriciteit en gas betaald moet worden is niet zozeer een gevolg van de inkoopprijs alswel van steeds hogere transportkosten en heffingen en belastingen (zie grafiek).

Die laatste twee verschillen bovendien sterk per land. De Commissie roept op om de transportkosten beter op elkaar af te stemmen. Ook de subsidies en kortingen lopen in de lidstaten sterk uiteen. Zelfs tussen buurlanden zijn er grote verschillen, zoals de recente discussie rond de failliete aluminiumsmelter Aldel in Delfzijl laat zien. Industriële ondernemingen die veel energie gebruiken, betalen in Duitsland tot 35 procent minder voor hun stroom dan in Nederland.

De Commissie komt tot de conclusie dat Europa met verschillende problemen kampt. De Verenigde Staten kunnen goedkoper produceren dankzij het schaliegas dat op grote schaal wordt aangeboord. Daarnaast wordt de wereldmarkt ook verstoord door landen die de energieprijzen kunstmatig laag houden. De Commissie wil dat wereldhandelsorganisatie WTO dat bespreekt.

In Europa zelf spelen vooral twee factoren. Een is de economische crisis, maar belangrijker is de kostbare overstap naar duurzame energie. De kosten daarvan komen vooral voor rekening van de consument. Meer dan de helft van de rekening die huishoudens betalen voor elektriciteit wordt bepaald door transportkosten en heffingen. Bij de gasrekening ligt dat iets gunstiger. De industrie betaalt gemiddeld veel minder dan de consument, maar kennelijk toch te veel om met de buitenwereld te kunnen blijven concurreren.