Een vrolijk pleidooi voor cynisme

Onlangs trouwde ik. Voordat we ‘ja’ zeiden gingen we naar de notaris. De overheid gaat er namelijk automatisch van uit dat wie trouwt, ook in gemeenschap van goederen wil leven, zonder privébezit. De standaardinstelling is: communisme. Dat stamt uit de tijd dat vrouwen niet mochten werken (en recht hadden op ’s mans geld).

Die wet wordt geloof ik aangepast, maar tot die tijd moet je langs de notaris – of communist worden. Als kirrende tortelduifjes schoven we aan bij de notaris. Die heel kalm diverse rampscenario’s met ons door naam. Jij kan dan eeuwige trouw beloven. Maar de statistieken beloven: een op de drie huwelijken ploft.

Vraagje: heeft u soms een gezamenlijke rekening? Bij één op de vijf gevallen pint één van de partners na de scheiding snel de rekening leeg. Goed om te weten.

Alles wat kapot kan gaan, zei de notaris in feite, gáát vaak ook kapot. Echt onromantisch. Voor die cynische, onvoorstelbare boodschap betaalden we haar ook nog eens flink.

Trouwen is een daad van blind, stekeblind optimisme. De notaris echter is een professioneel cynicus. Een Bob: degene die nuchter blijft. Een mensenredder! Tegenover de giechelende liefde, de naakte cijfers.

Ik hou van cynici, zoals ik hou van accountants, luchtverkeersleiders en journalisten: mensen met een scherper oog voor wat mis is, dan voor wat goed gaat. Die je nooit op je blauwe ogen geloven. Die niet bij voorbaat denken dat de mens goed is, omdat ze weten dat ze zelf soms slecht zijn.

Cynici gaan uit van het slechte, en dat levert ons veel goeds op. Toch staan ze in een bijzonder kwaad daglicht. „Hè,getver, doe niet zo cynisch!” zeggen we. Cynisme is een scheldwoord. Drie voorbeelden:

1. Toen Greenpeace-activist Faiza Oulahsen vrijkwam, vertelde ze in deze krant dat ze de wereld beter wilde maken, in plaats van „bij de pakken neerzitten en eindeloos cynisch zijn, zeiken als je het nieuws ziet, boze boeken schrijven”.

Boodschap: de cynicus is een zeikstraal.

2. Toen Nelson Mandela overleed schreef columnist Bas Heijne in deze krant: ‘Het humanisme moet altijd laveren tussen de mens zoals hij is en de mens zoals hij wil zijn. Wie het eerste uit het oog verliest, wordt sentimenteel. Wie alleen nog maar het eerste ziet, wordt cynisch. Dat laatste lijkt me het grootste kwaad.’

Boodschap: de cynicus is een kwaadaardige nihilist.

3. Toen de Amerikaanse komiek Stephen Colbert in 2006 voor een groep studenten speechte, noemde hij cynisme „zelf opgelegde blindheid” en „een verwerping van de wereld omdat we bang zijn dat die ons pijn doet of ons zal teleurstellen”.

Ofwel: de cynicus als lafaard vol zielenrot.

De cynicus, de mensenredder, de Bob, de ongelovige twijfelaar, we haten hem. Gek als je bedenkt dat cynisme begon als idealisme pur sang. Het was een optimistische filosofische stroming, in de vijfde eeuw voor Christus, in Athene. Verre volgelingen van de filosoof Socrates verwierpen rijkdom en roem, en probeerden domweg gelukkig te leven als de zwerfhondjes op straat – het woord cynisch komt van het Griekse woord voor hond.

De beroemdste cynicus, Diogenes, leefde in Athene-centrum in een ton. Oncomfortabel, maar wel bevrijding van maatschappelijke conventies. Denk aan de Iraanse man, laatst in het nieuws, die zich 60 jaar niet had gedoucht, die buiten leefde, en gelukkig was. Of aan Occupyer’s, die in smerige tentjes woonden. Ze waren cynisch omdat ze de bestaande orde verwierpen, en tegelijk waren ze extreem idealistisch.

Alleen: als je de maatschappij verwerpt, spuugt die maatschappij jou uit. Logisch, de cynicus is de party pooper. Vandaar de lastercampagne die tot op heden duurt: dat de cynicus een verbitterde niksnut is, et cetera. Don’t believe the hype.

Die lastercampagne is nu op zijn felst. Want we leven in een tijd waarin enthousiasme en ‘leuk meedoen’ de norm is. Een positieve generatie, zonder littekens, die opgroeide met het besef dat je geen hobby moest hebben, maar passie, ofwel een hobby waar je over praat met ogen die uitpuilden van uitroeptekens.

Liever dit toch, dan dat zure? Nee, want zonder dat zure loopt alles mis.

Gedachtenexperiment: stel dat de Google- recensies van restaurants en hotels alleen nog positief zouden zijn, hoeveel kakkerlakken er ook over de beddensprei marcheerden?

Dat zou absurd zijn. Maar zo rolt de wereld waar je in leeft al wel een beetje.

Ik geef een voorbeeld dat zo bekend is dat je het bent vergeten: de duim van Facebook, de duim die nooit een middelvinger wordt, omdat je niet negatief mag zijn. Facebook, die fuik van applaus. Want o, wat zijn wij heden tof.

Ander voorbeeld, minder bekend. BuzzFeed – het toonaangevende nieuwsmedium van onze tijd – kreeg vorig jaar een nieuwe chef boekenbijlage, Isaac Fitzgerald. Hij zei dat hij geen zin had in negatieve recensies, het moest „positief” blijven. Kritiek was iets voor oude media.

Een recensent als reclameman – proef het cynisme. Maar het hele businessmodel van BuzzFeed is gebaseerd op zulke positiviteit.

In 2009 onderzochten wetenschappers van de universiteit van Pennsylvania hoe een nieuwsbericht een hit wordt (‘What Makes Online Content Viral’). Conclusie: positief nieuws doet het beter dan negatief of triest nieuws. (Uitzondering: eng nieuws of nieuws dat verontwaardiging oproept.) Wie geld wil verdienen, maakt dus vooral blij nieuws. Het motto van BuzzFeed: ‘no haters’. De criticus is persona non grata. Geen cynisme s.v.p.!

Vroeger zei men: ‘Het is nieuws als iemand het niet in de krant wil – de rest is reclame’. Nu zegt men: ‘Het is nieuws als iedereen het in de krant wil – de rest is Syrië’.

Straks worden we nog een wereld vol huppelende, blije eikels. Een wereld als commercial, als propagandafilmpje, een blije hel.

Toen die BuzzFeed-recensent schreef dat negativiteit taboe is, verscheen er een prachtige repliek in Gawker van Tom Socca. In ‘On Smarm’ looft hij zure kritiek, die volgens hem pure noodzaak is als remedie tegen dat ‘toneelstuk’ van deugd, van constructief zijn, van „kunnen we niet gewoon aardig tegen elkaar zijn”.

Anders gezegd: de blije wereld heeft cynici bitter hard nodig. Als balans. Mensen als Dorothy Parker of W.F. Hermans.

De cynicus was ooit nog dandy, maar is nu dissident. En nu dus zitten we met een feedbackprobleem.

Ze zijn er nog wel, gelukkig. De spelbrekers, de goede vrienden die ons de waarheid zeggen. Zij die niet out of the box denken, maar compleet out of the bestaande orde. Edward Snowden, misschien, de nobele saboteur. Bepaalde opiniemakers, Joris Luyendijk, bij vlagen, of Thierry Baudet. Een vleugje Rutger Castricum.

Cynici zijn idealisten in vermomming. Vergeet de verbitterde versies, de zie-je-welzeggers, de doemscenaristen die het in de broek doen voor de toekomst en daarom hun agenda alvast helemaal volkrassen met inktzwarte inkt (valt het altijd mee!).

Vergeet ze. Het gaat om de vrolijke, oprechte cynici. En sta dan even stil bij het klassieke verwijt dat zij krijgen. Namelijk: je levert alleen kritiek, doe zelf eens wat! Hoe weerleg je dat? Niet. Want cynici zijn juist negatief. Precies dat is hun heilzame rol. Ze excelleren ze in veto’ s. Hun functie is preventie. Of zeg je tegen je accountant, die op een fout wijst: „Zeik niet zo”?

De cynicus zei: eh, is die Fyra een goed idee?

De cynicus zei: seriously, heeft Saddam echt een atoombom?

De cynicus zei: oké, dus we gaan de banken gewoon blind vertrouwen?

Maar terwijl de cynicus Bob was, zeiden wij steeds: „Hé, joh, doe eens leuk mee!” Zeggen dat een cynicus alleen anderen afkraakt, is als een keeper verwijten dat hij nooit scoort.

Niet alles is fraai. Mensen gaan dood, hondenpoep bestaat, corruptie – dit alles verdient onze onverbloemde haat. Ik mis dat, ik wil weer zuur proeven. Niet dat iedereen altijd cynisch wordt, o help, nee, maar mag de balans terug? Iets minder van dat mierzoete?

Cynici zijn goed voor de democratie. Ze besparen geld en mensenlevens. Daarbij zijn cynici domweg de leukste en vrolijkste mensen, omdat ze niemand serieus nemen – dus ook zichzelf niet zo.