Column

Bevers in kaas

Met president Hollande in Holland kon het geen kwaad het dagboek van de gebroeders Edmond en Jules de Goncourt ter hand te nemen. Deze Franse schrijvers waren al eerder in Nederland: een septemberweek in 1861. Kennelijk vonden ze ons land interessanter dan Hollande, die maar een dagje bleef.

De Goncourts deden altijd veel samen: wonen, schrijven, reizen. Hun broederliefde overheerste alles. Toen de jongste, Jules, in 1870 overleed, was Edmond lange tijd ontroostbaar. Er waren wel vrouwen in hun leven, maar alleen voor de seks. Geestelijk vonden ze bij elkaar wat ze nodig hadden. Alles werd ondergeschikt gemaakt aan één doel: de literatuur. „Ik heb alleen maar literatuur geschreven in de hoop op eeuwige roem”, schreef Edmond in 1888, acht jaar voor zijn dood. (De vertaling, ook hieronder, is van Leo van Maris.)

Dat is dankzij hun dagboek (ook nog steeds in de Nederlandse vertaling verkrijgbaar) aardig gelukt. Het behoort tot de mooiste literaire dagboeken die er zijn. Een goudmijn van schitterend gestileerde observatie en zelfreflectie; met een niets en niemand ontziende instelling opgeschreven. Scepsis domineert: „Ik heb nog nooit iemand ontmoet die zijn leven nog een keer zou willen overdoen, zelfs geen vrouw die terug zou willen naar de tijd dat ze achttien was. Dat zegt wel iets over het leven.”

Ze gaven ook in Nederland hun ogen goed de kost. Ze begonnen in Amsterdam waar ze noteerden: „Een land waar alles in orde, samenhangend, onontkoombaar en logisch is. De mannen en vrouwen zijn er lelijk, niet op een menselijke manier, maar als vissen, met visseogen en vissekoppen, een gelaatskleur van gedroogde vis, en ze hebben iets van zeerobben en kikkers.”

En: „Een bleek en koud ras, mensen met een karakter geduldig als het water, levens vlak als kanalen; het vlees is er waterig. Holland lijkt wel het paradijs, zoals het is teruggevonden door de bevers uit de ark van Noach. Een land dat voor anker ligt, bevers in een kaas, - dat is Holland.”

Ze bezochten het Rijksmuseum in Amsterdam, Artis en het Rijks Ethnografisch Museum (nu Rijksmuseum Volkenkunde) in Leiden. Ze waren verbaasd over de discussies over het licht (daglicht of het licht van de nacht?) op Rembrandts De Nachtwacht. Zij zagen, terecht, alleen maar „zonlicht dat van boven komt en dwars over de personen heen valt.”

„Het is hier een stilstaand, een slapend land”, schreven ze. „Je komt uit een museum en je treft het huis of de gracht precies zo aan als je ze net op een schilderij van Pieter de Hooch hebt gezien.”

Ze beschreven uitgebreid Broek in Waterland, ten noorden van Amsterdam. „Kleine straatjes van baksteen; witte bruggetjes over de kanalen, die van alle kanten samenkomen; kleine houten huisjes, wit, groen en grijs geschilderd; heggen van hulst, tuintjes vol sleutelbloemen; blinkende stallen, waar de staarten van de koeien, vastgebonden naar boven steken; bomen die uit pure properheid tot op een hoogte van tien voet wit zijn geschilderd. Een land om bij te huilen, zoals je kan huilen om de fris geboende kamer van een oude vrijster.”

Misschien nog wel het minst gedateerd is deze verzuchting: „’s Nachts ben ik wakker geworden vanwege de luidruchtige kermispret. Het is eigenaardig, maar de drinkliederen hier lijken wel lutherse psalmen.”

En dan te bedenken dat het toen nog bijna een eeuw moest duren voordat André Hazes geboren werd.